BW
7:610-687
Artikel 610
1. De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst
waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij,
de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.
2. Indien een overeenkomst zowel aan de omschrijving
van lid 1 voldoet als aan die van een andere door de wet geregelde bijzondere
soort van overeenkomst, zijn de bepalingen van deze titel en de voor de andere
soort van overeenkomst gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing. In geval
van strijd zijn de bepalingen van deze titel van toepassing.
Artikel 610a
Hij die ten behoeve van een ander tegen beloning
door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende
ten minste twintig uren per maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid
te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst.
Artikel 610b
Indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie
maanden heeft geduurd, wordt de bedongen arbeid in enige maand vermoed een omvang
te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie
voorafgaande maanden.
Artikel 611
De werkgever en de werknemer zijn verplicht zich
als een goed werkgever en een goed werknemer te gedragen.
Artikel 612
1. Een minderjarige die de leeftijd van zestien
jaren heeft bereikt, is bekwaam tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst.
Hij staat in alles wat betrekking heeft op die arbeidsovereenkomst met een meerderjarige
gelijk, en kan zonder bijstand van zijn wettelijke vertegenwoordiger in rechte
verschijnen.
2. Indien een daartoe onbekwame minderjarige
een arbeidsovereenkomst heeft aangegaan en vervolgens vier weken in dienst van
de werkgever arbeid heeft verricht zonder dat zijn wettelijke vertegenwoordiger
een beroep op de in de onbekwaamheid gelegen vernietigingsgrond heeft gedaan,
wordt hij geacht de toestemming van die vertegenwoordiger tot het aangaan van
deze arbeidsovereenkomst te hebben verkregen.
3. Een onbekwame minderjarige die met toestemming
van de wettelijke vertegenwoordiger een arbeidsovereenkomst heeft aangegaan,
staat in alles wat betrekking heeft op die arbeidsovereenkomst met een meerderjarige
gelijk, behoudens het bepaalde in lid 4.
4. Een onbekwame minderjarige kan niet zonder
bijstand van zijn wettelijke vertegenwoordiger in rechte verschijnen, behalve
wanneer de rechter is gebleken dat de wettelijke vertegenwoordiger niet bij
machte is zich te verklaren.
Artikel 613
De werkgever kan slechts een beroep doen op een
schriftelijk beding dat hem de bevoegdheid geeft een in de arbeidsovereenkomst
voorkomende arbeidsvoorwaarde te wijzigen, indien hij bij de wijziging een zodanig
zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging
zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
moet wijken.
Artikel 614
De termijn, bedoeld in artikel 52 lid 1 onder
d van Boek 3, begint met betrekking tot uit deze titel voortvloeiende vernietigingsgronden
met de aanvang van de dag volgende op die waarop een beroep op het beding is
gedaan.
Artikel 615
De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing
ten aanzien van personen in dienst van staat, provincie, gemeente, waterschap
of enig ander publiekrechtelijk lichaam, tenzij zij, hetzij vóór
of bij de aanvang van de dienstbetrekking door of namens partijen, hetzij bij
wet of verordening, van toepassing zijn verklaard.
Artikel 616
De werkgever is verplicht de werknemer zijn loon
op de bepaalde tijd te voldoen.
Artikel 617
1. De vastgestelde vorm van loon mag niet anders
zijn dan:
a geld;
b indien die vorm van loon gewoonte is of wenselijk
is wegens de aard van de onderneming van de werkgever: zaken, geschikt voor
het persoonlijk gebruik van de werknemer en zijn huisgenoten, met uitzondering
van alcoholhoudende drank en andere voor de gezondheid schadelijke genotmiddelen;
c het gebruik van een woning, alsmede verlichting
en verwarming daarvan;
d diensten, voorzieningen en werkzaamheden door
of voor rekening van de werkgever te verrichten, onderricht, kost en inwoning
daaronder begrepen;
e effecten, vorderingen, andere aanspraken en
bewijsstukken daarvan en bonnen.
2. Aan de in lid 1 onder b, c en d bedoelde zaken,
diensten en voorzieningen mag geen hogere waarde worden toegekend dan die welke
met de werkelijke waarde daarvan overeenkomt.
Artikel 618
Indien geen loon is vastgesteld, heeft de werknemer
aanspraak op het loon dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor
arbeid als de overeengekomene gebruikelijk was of, bij gebreke van een dergelijke
maatstaf, op een loon dat met inachtneming van de omstandigheden van het geval
naar billijkheid wordt bepaald.
Artikel 619
1. Indien het loon voor het geheel of voor een
gedeelte bestaat in een bedrag dat afhankelijk is gesteld van enig gegeven dat
uit de boeken, bescheiden of andere gegevensdragers van de werkgever moet kunnen
blijken, heeft de werknemer het recht van de werkgever overlegging te verlangen
van zodanige bewijsstukken, als hij nodig heeft om dat gegeven vast te kunnen
stellen.
2. Partijen kunnen bij schriftelijke overeenkomst
overeenkomen aan wie, in afwijking van lid 1, overlegging van genoemde bewijsstukken
zal geschieden. Als zodanig kunnen niet worden aangewezen werknemers die in
dienst van de werkgever met de boekhouding zijn belast.
3. Slechts aan de werknemer komt de bevoegdheid
toe om ter vernietiging van een beding dat afwijkt van lid 1 of lid 2, tweede
zin, een beroep op de vernietigingsgrond te doen.
4. De overlegging van de bewijsstukken door of
vanwege de werkgever geschiedt desverlangd onder de uitdrukkelijke verplichting
tot geheimhouding door de werknemer en degene die hem overeenkomstig lid 2 vervangt;
deze kan echter nimmer tot geheimhouding tegenover de werknemer worden verplicht,
behoudens voor zover het betreft de winst in de onderneming van de werkgever
of in een deel daarvan gemaakt.
Artikel 620
1. De voldoening van het in geld vastgestelde
loon geschiedt in Nederlands wettig betaalmiddel of door girale betaling overeenkomstig
artikel 114 van Boek 6.
2. De voldoening van het in geld vastgestelde
loon kan in buitenlands geld geschieden, indien dit overeengekomen is. De werknemer
is echter bevoegd voldoening in Nederlands geld te verlangen met ingang van
de tweede komende betaaldag. Indien omrekening nodig is, geschiedt deze naar
de koers, bedoeld in de artikelen 124 en 126 van Boek 6.
3. De voldoening van het in andere bestanddelen
dan in geld vastgestelde loon geschiedt volgens hetgeen daarover is overeengekomen
of, als daarover niets is overeengekomen, volgens het gebruik.
Artikel 621
1. Voldoening van het loon, anders dan bij artikel
620 is bepaald of, in andere vormen is vastgesteld dan door artikel 617 is toegestaan,
is niet bevrijdend. De werknemer behoudt het recht om het verschuldigde loon
of, zo dit in een andere vorm dan geld is vastgesteld, de waarde van de verschuldigde
prestatie van de werkgever te vorderen zonder gehouden te zijn het bij de niet-bevrijdende
voldoening ontvangene terug te geven.
2. Niettemin kan de rechter bij toewijzing van
de vordering van de werknemer de veroordeling beperken tot zodanig bedrag als
hem met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen, maar uiterlijk tot
de som waarop de door de werknemer geleden schade zal worden vastgesteld.
3. Een rechtsvordering van de werknemer op grond
van dit artikel verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop de niet-bevrijdende
voldoening plaatsvindt.
Artikel 622
De voldoening van in geld vastgesteld loon die
niet met toepassing van artikel 114 van Boek 6 plaatsvindt, geschiedt hetzij
ter plaatse waar de arbeid in de regel wordt verricht, hetzij ten kantore van
de werkgever indien dit gelegen is in dezelfde gemeente als die waarin de meerderheid
van de werknemers woont, hetzij aan de woning van de werknemer, ter keuze van
de werkgever.
Artikel 623
1. De werkgever is verplicht het in geld naar
tijdruimte vastgestelde loon te voldoen telkens na afloop van het tijdvak waarover
het loon op grond van de overeenkomst moet worden berekend, met dien verstande
dat het tijdvak voor voldoening niet korter is dan één week en
niet langer is dan één maand.
2. Het tijdvak na afloop waarvan het loon moet
worden voldaan, kan bij schriftelijke overeenkomst worden verlengd, maar niet
langer dan tot een maand wanneer het tijdvak waarover het loon op grond van
de overeenkomst moet worden berekend, een week of korter is, en tot niet langer
dan tot een kwartaal wanneer het tijdvak waarover het loon op grond van de overeenkomst
moet worden berekend, een maand of langer is.
3. Slechts aan de werknemer komt de bevoegdheid
toe om ter vernietiging van een beding dat afwijkt van dit artikel, een beroep
op de vernietigingsgrond te doen.
Artikel 624
1. Indien het in geld vastgestelde loon afhankelijk
is van de uitkomsten van de te verrichten arbeid, houdt de werkgever de betalingstermijnen
aan die gelden voor het naar tijdruimte vastgestelde loon voor vergelijkbare
arbeid, tenzij met inachtneming van artikel 623 andere termijnen zijn overeengekomen.
2. Indien op de betaaldag het bedrag van het
loon als genoemd in lid 1 nog niet te bepalen is, is de werkgever verplicht
tot voldoening van een voorschot ten bedrage van het loon waarop de werknemer
gemiddeld per betalingstermijn aanspraak kon maken over de drie maanden voorafgaande
aan de betaaldag of, indien dat niet mogelijk is, ten bedrage van het voor vergelijkbare
arbeid gebruikelijke loon.
3. Schriftelijk kan worden overeengekomen dat
het voorschot op een lager bedrag wordt gesteld, maar niet op minder dan drie
vierde van het gemiddelde loon over drie maanden voorafgaande aan de betaaldag
onderscheidenlijk van het voor vergelijkbare arbeid gebruikelijke loon.
4. Voor zover het in geld vastgestelde loon bestaat
in een bedrag dat afhankelijk is gesteld van enig gegeven dat uit de boeken,
bescheiden of andere gegevensdragers van de werkgever moet kunnen blijken, is
de werkgever tot voldoening verplicht telkens wanneer het bedrag van dat loon
kan worden bepaald, met dien verstande dat ten minste eenmaal per jaar voldoening
plaatsvindt.
5. Slechts aan de werknemer komt de bevoegdheid
toe om ter vernietiging van een beding dat afwijkt van dit artikel, een beroep
op de vernietigingsgrond te doen.
Artikel 625
1. Voor zover het in geld vastgesteld loon of
het gedeelte dat overblijft na aftrek van hetgeen door de werkgever overeenkomstig
artikel 628 mag worden verrekend, en na aftrek van hetgeen waarop derden overeenkomstig
artikel 633 rechten doen gelden, niet wordt voldaan uiterlijk de derde werkdag
na die waarop ingevolge de artikelen 623 en 624 lid 1 de voldoening had moeten
geschieden, heeft de werknemer, indien dit niet-voldoen aan de werkgever is
toe te rekenen, aanspraak op een verhoging wegens vertraging. Deze verhoging
bedraagt voor de vierde tot en met de achtste werkdag vijf procent per dag en
voor elke volgende werkdag een procent, met dien verstande dat de verhoging
in geen geval de helft van het verschuldigde te boven zal gaan. Niettemin kan
de rechter de verhoging beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de
omstandigheden billijk zal voorkomen.
2. Van dit artikel kan niet ten nadele van de
werknemer worden afgeweken.
Artikel 626
1. De werkgever is verplicht bij elke voldoening
van het in geld vastgestelde loon de werknemer een schriftelijke opgave te verstrekken
van het loonbedrag, van de bedragen waaruit dit is samengesteld, van de bedragen
die op het loonbedrag zijn ingehouden, alsmede van het bedrag van het loon waarop
een persoon van de leeftijd van de werknemer over de termijn waarover het loon
is berekend ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
aanspraak heeft, tenzij zich ten opzichte van de vorige voldoening in geen van
deze bedragen een wijziging heeft voorgedaan.
2. De opgave vermeldt voorts de naam van de werkgever
en van de werknemer, de termijn waarover het loon is berekend, alsmede de overeengekomen
arbeidsduur.
3. Van dit artikel kan niet ten nadele van de
werknemer worden afgeweken.
Artikel 627
Geen loon is verschuldigd voor de tijd gedurende
welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht.
Artikel 628
1. De werknemer behoudt het recht op het naar
tijdruimte vastgestelde loon indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft
verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever
behoort te komen.
2. Indien hem krachtens enige wettelijk voorgeschreven
verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig fonds waarin de deelneming
is overeengekomen bij of voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst, een geldelijke
uitkering toekomt, wordt het loon verminderd met het bedrag van die uitkering.
3. Indien het loon in geld op andere wijze dan
naar tijdruimte is vastgesteld, zijn de bepalingen van dit artikel van toepassing,
met dien verstande dat als loon wordt beschouwd het gemiddelde loon dat de werknemer,
wanneer hij niet verhinderd was geweest, gedurende die tijd had kunnen verdienen.
4. Het loon wordt echter verminderd met het bedrag
van de onkosten die de werknemer zich door het niet-verrichten van de arbeid
heeft bespaard.
5. Van de leden 1 tot en met 4 kan voor de eerste
zes maanden van de arbeidsovereenkomst slechts bij schriftelijke overeenkomst
worden afgeweken ten nadele van de werknemer.
6. In geval van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten
in de zin van artikel 668a kan een afwijking als bedoeld in lid 5 in totaal
voor ten hoogste zes maanden worden overeengekomen.
7. Na het verstrijken van de termijn, bedoeld
in lid 5, kan van dit artikel slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst of
bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken
ten nadele van de werknemer.
Artikel 628a
1. Indien een arbeidsomvang van minder dan 15
uur per week is overeengekomen en de tijdstippen waarop de arbeid moet worden
verricht niet zijn vastgelegd, dan wel indien de omvang van de arbeid niet of
niet eenduidig is vastgelegd, heeft de werknemer voor iedere periode van minder
dan drie uur waarin hij arbeid heeft verricht, recht op het loon waarop hij
aanspraak zou hebben indien hij drie uur arbeid zou hebben verricht.
2. Van dit artikel kan niet ten nadele van de
werknemer worden afgeweken.
Artikel 629
1. Voor zover het loon niet meer bedraagt dan
het maximum dagloon, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering, behoudt de werknemer voor een tijdvak van tweeënvijftig
weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar ten minste
op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, indien hij de bedongen arbeid
niet heeft verricht omdat hij daartoe door ziekte of door zwangerschap of bevalling
verhinderd was. Indien de werkgever de aangifte, bedoeld in artikel 38, eerste
lid, van de Ziektewet later doet dan in dat artikel is voorgeschreven, wordt
dit tijdvak met de duur van de vertraging verlengd.
2. Voor de werknemer die ten behoeve van zijn
werkgever uitsluitend of nagenoeg uitsluitend huiselijke of persoonlijke diensten
op minder dan drie dagen per week verricht, geldt het in lid 1 bedoelde recht
voor een tijdvak van zes weken.
3. De werknemer heeft het in lid 1 bedoelde recht
niet: a indien de ziekte door zijn opzet is veroorzaakt of het gevolg is van
een gebrek waarover hij in het kader van een aanstellingskeuring valse informatie
heeft verstrekt en daardoor de toetsing aan de voor de functie opgestelde belastbaarheidseisen
niet juist kon worden uitgevoerd;
b voor de tijd, gedurende welke door zijn toedoen
zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
c voor de tijd, gedurende welke hij, hoewel hij
daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid voor de werkgever
of voor een door de werkgever met toestemming van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen aangewezen derde, waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt,
niet verricht.
4. Het loon wordt verminderd met het bedrag van
enige geldelijke uitkering die de werknemer toekomt krachtens enige wettelijke
voorgeschreven verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig fonds
waarin de werknemer niet deelneemt. Het loon wordt voorts verminderd met het
bedrag van de inkomsten, door de werknemer in of buiten dienstbetrekking genoten
voor werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat hij, zo hij
daartoe niet verhinderd was geweest, de bedongen arbeid had kunnen verrichten.
5. De werkgever is bevoegd de betaling van het
in het lid 1 bedoelde loon op te schorten voor de tijd, gedurende welke de werknemer
zich niet houdt aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften
omtrent het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever behoeft om het
recht op loon vast te stellen.
6. De werkgever kan geen beroep meer doen op
enige grond het loon geheel of gedeeltelijk niet te betalen of de betaling daarvan
op te schorten, indien hij de werknemer daarvan geen kennis heeft gegeven onverwijld
nadat bij hem het vermoeden van het bestaan daarvan is gerezen of redelijkerwijs
had behoren te rijzen.
7. Artikel 628 lid 3 is van overeenkomstige toepassing.
8. Van dit artikel kan ten nadele van de werknemer
slechts in zoverre worden afgeweken dat bedongen kan worden dat de werknemer
voor de eerste twee dagen van het in lid 1 of lid 2 bedoelde tijdvak geen recht
op loon heeft.
9. Voor de toepassing van de leden 1 en 8 worden
perioden waarin de werknemer ten gevolge van ziekte verhinderd is geweest zijn
arbeid te verrichten, samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van
minder dan vier weken opvolgen.
Artikel 629a
1. De rechter wijst een vordering tot betaling
van loon als bedoeld in artikel 629 af, indien bij de eis niet een verklaring
is gevoegd van een deskundige, benoemd door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, omtrent de verhindering van de werknemer om de bedongen of andere
passende arbeid te verrichten.
2. Lid 1 geldt niet indien de verhindering niet
wordt betwist of het overleggen van de verklaring in redelijkheid niet van de
werknemer kan worden gevergd.
3. De deskundige, die zijn benoeming heeft aanvaard,
is verplicht zijn onderzoek onpartijdig en naar beste weten te volbrengen.
4. De deskundige die de hoedanigheid van arts
bezit, kan de voor zijn onderzoek van belang zijnde inlichtingen over de werknemer
inwinnen bij de behandelend arts of de behandelend artsen. Zij verstrekken de
gevraagde inlichtingen voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van de
werknemer niet onevenredig wordt geschaad.
5. De rechter kan op verzoek van een der partijen
of ambtshalve bevelen dat de deskundige zijn verklaring nader schriftelijk of
mondeling toelicht of aanvult.
6. De werknemer wordt ter zake van een vordering
als bedoeld in het eerste lid slechts in de kosten van de werkgever als bedoeld
in artikel 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering veroordeeld in
geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
7. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij
regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan kan worden bepaald
dat de in het eerste lid bedoelde deskundige door een ander dan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen wordt aangewezen.
Artikel 629b
1. De werknemer behoudt het recht op het naar
tijdruimte vastgestelde loon voor een korte, naar billijkheid te berekenen tijd,
wanneer hij, hetzij ten gevolge van de vervulling van een door wet of overheid,
zonder geldelijke vergoeding, opgelegde verplichting, welke vervulling niet
in zijn vrije tijd kon geschieden, hetzij ten gevolge van zeer bijzondere persoonlijke
omstandigheden, verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten.
2. Onder zeer bijzondere omstandigheden worden
voor de toepassing van dit artikel in ieder geval begrepen: de bevalling van
de echtgenote van de werknemer of zijn geregistreerde partner en het overlijden
en de lijkbezorging van een van zijn huisgenoten of een van zijn bloed- en aanverwanten
in de rechte lijn en in de tweede graad van de zijlijn. Onder de vervulling
van een door de wet of overheid opgelegde verplichting wordt begrepen de uitoefening
van het actief kiesrecht.
3. Artikel 628 leden 2, 3 en 4 is van overeenkomstige
toepassing.
4. Van dit artikel kan slechts bij schriftelijke
overeenkomst worden afgeweken.
Artikel 630
1. De werkgever die tijdelijk is verhinderd het
loon, voor zover dit in een andere vorm dan in geld is vastgesteld, te voldoen
zonder dat deze verhindering het gevolg is van een eigen toedoen van de werknemer,
is aan deze een vergoeding schuldig, waarvan het bedrag bij overeenkomst wordt
vastgesteld of, bij gebreke van een overeenkomst, door de rechter wordt bepaald
volgens het gebruik of de billijkheid.
2. Van dit artikel kan niet ten nadele van de
werknemer worden afgeweken.
Artikel 631
1. Een beding waarbij de werkgever het recht
krijgt enig bedrag van het loon op de betaaldag in te houden, is nietig, onverminderd
de bevoegdheid van de werknemer om de werkgever een schriftelijke volmacht te
verlenen om uit het te betalen loon betalingen in zijn naam te verrichten. Deze
volmacht is te allen tijde herroepelijk.
2. Bedingen waarbij de werknemer zich jegens
de werkgever verbindt het ontvangen loon of zijn overige inkomsten of een gedeelte
daarvan op bepaalde wijze te besteden, en bedingen waarbij de werknemer zich
verbindt zijn benodigdheden op een bepaalde plaats of bij een bepaalde persoon
aan te schaffen, zijn nietig.
3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op
het beding waarbij de werknemer zich verbindt: a deel te nemen in een fonds
waarop de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing is en ten aanzien waarvan
aan de voorschriften van die wet wordt voldaan;
b bij te dragen tot de premiebetaling voor een
verzekering overeenkomstig de voorschriften dienaangaande door de Pensioen-
en spaarfondsenwet gesteld;
c deel te nemen in enig ander fonds dan in onderdeel
a bedoeld, mits dat fonds voldoet aan de voorwaarden, bij algemene maatregel
van bestuur gesteld;
d deel te nemen aan een regeling tot sparen te
zijnen behoeve, anders dan in de onderdelen a tot en met c bedoeld, mits die
regeling voldoet aan de voorwaarden, bij algemene maatregel van bestuur gesteld.
Onder enig ander fonds als bedoeld in onderdeel
c, wordt niet verstaan een fonds dat tot doel heeft aan de werkgever of aan
de werknemer een uitkering te doen die verband houdt met het recht van de werknemer
op doorbetaling van loon tijdens ziekte, zwangerschap of bevalling als bedoeld
in artikel 629 lid 1, of met de betaling van arbeidsongeschiktheidsuitkering
als bedoeld in artikel 75a, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
4. Voor de nakoming van een beding als bedoeld
in lid 3 mag de werkgever de daartoe nodige bedragen op het loon van de werknemer
inhouden; hij is alsdan verplicht deze bedragen overeenkomstig het beding ten
behoeve van de werknemer te voldoen.
5. Op de deelneming door een minderjarige aan
een regeling als bedoeld in lid 3 is artikel 612 van overeenkomstige toepassing.
6. Indien de werknemer ingevolge een nietig beding
als bedoeld in lid 2 een overeenkomst met de werkgever of een derde heeft aangegaan,
heeft hij het recht hetgeen hij uit dien hoofde heeft voldaan van de werkgever
te vorderen. Indien hij de overeenkomst met de werkgever heeft aangegaan, heeft
hij bovendien de bevoegdheid de overeenkomst te vernietigen.
7. De rechter kan bij toewijzing van een vordering
van de werknemer op grond van lid 6 de verplichting tot betaling van de werkgever
beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk
voorkomt, maar uiterlijk tot de som waarop hij de door de werknemer geleden
schade vaststelt.
8. Een rechtsvordering van de werknemer op grond
van dit artikel verjaart door verloop van zes maanden na de dag van het ontstaan
van het vorderingsrecht.
Artikel 632
1. Behalve bij het einde van de arbeidsovereenkomst
is verrekening door de werkgever van zijn schuld ter zake van het uit te betalen
loon slechts toegelaten met de volgende vorderingen op de werknemer: a de door
de werknemer aan de werkgever verschuldigde schadevergoeding;
b de boetes, door de werknemer volgens artikel
650 aan de werkgever verschuldigd, mits door deze een schriftelijk bewijs wordt
afgegeven, die het bedrag vermeldt van iedere boete alsmede de tijd waarop en
de reden waarom zij is opgelegd, met opgave van de overtreden bepaling van een
schriftelijk aangegane overeenkomst;
c de voorschotten op het loon, door de werkgever
in geld aan de werknemer verstrekt, mits daarvan schriftelijk blijkt;
d het bedrag van hetgeen op het loon te veel
is betaald;
e de huurprijs van een woning of een andere ruimte,
een stuk grond of van werktuigen, machines en gereedschappen, door de werknemer
in eigen bedrijf gebruikt, en die bij schriftelijke overeenkomst door de werkgever
aan de werknemer zijn verhuurd.
2. Verrekening heeft geen plaats op het deel
van het loon waarop beslag onder de werkgever niet geldig kan zijn. Ter zake
van hetgeen de werkgever krachtens lid 1, onderdeel b, zou kunnen vorderen,
mag door hem bij elke voldoening van het loon niet meer worden verrekend dan
een tiende gedeelte van het in geld vastgestelde loon dat alsdan zou moeten
worden voldaan.
3. Hetgeen de werkgever uit hoofde van een op
het loon gelegd beslag inhoudt, komt in mindering op het voor verrekening toegelaten
maximum.
4. Een beding waardoor de werkgever een ruimere
bevoegdheid tot verrekening zou krijgen, is vernietigbaar, met dien verstande
dat de werknemer bevoegd is tot vernietiging ter zake van elke afzonderlijke
verrekeningsverklaring van de werkgever die van de geldigheid van het beding
uitgaat.
Artikel 633
1. Overdracht, verpanding of elke andere handeling
waardoor de werknemer enig recht op zijn loon aan derden toekent, is slechts
in zover geldig als een beslag op zijn loon geldig zou zijn.
2. Een volmacht tot de vordering van loon wordt
schriftelijk verleend. Deze volmacht is te allen tijde herroepelijk.
3. Van dit artikel kan niet worden afgeweken.
Artikel 634
1. De werknemer verwerft over ieder jaar waarin
hij gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft gehad,
aanspraak op vakantie van ten minste vier maal de overeengekomen arbeidsduur
per week of, als de overeengekomen arbeidsduur in uren per jaar is uitgedrukt,
van ten minste een overeenkomstige tijd.
2. De werknemer die over een deel van een jaar
recht op loon heeft gehad, verwerft over dat deel aanspraak op vakantie die
een evenredig gedeelte bedraagt van datgene waarop hij recht zou hebben gehad
als hij gedurende het gehele jaar recht had op loon over de volledige overeengekomen
arbeidsduur.
3. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij
regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan kan ten aanzien van
werknemers wier arbeidsovereenkomst eindigt nadat deze ten minste een maand
heeft geduurd, van lid 2 worden afgeweken in dier voege dat de aanspraak op
vakantie wordt berekend over tijdvakken van een maand.
Artikel 635
1. In afwijking van artikel 634 verwerft de werknemer
aanspraak op vakantie over het tijdvak, gedurende hetwelk hij geen recht heeft
op in geld vastgesteld loon, omdat:
a hij, anders dan voor oefening en opleiding,
als dienstplichtige is opgeroepen ter vervulling van zijn militaire dienst of
vervangende dienst;
b hij vakantie als bedoeld in artikel 641 lid
3 geniet;
c hij, met toestemming van de werkgever, deelneemt
aan een bijeenkomst die wordt georganiseerd door een vakvereniging waarvan hij
lid is;
d hij, anders dan ten gevolge van de arbeidsongeschiktheid,
bedoeld in de leden 2 en 3, tegen zijn wil niet in staat is om de overeengekomen
arbeid te verrichten;
e hij verlof als bedoeld in artikel 643 geniet.
2. In afwijking van artikel 634 verwerft de vrouwelijke
werknemer die wegens zwangerschap of bevalling niet gedurende een geheel jaar
aanspraak op loon verwerft, over de volledige overeengekomen arbeidsduur aanspraak
op vakantie over het tijdvak dat zij recht heeft op ziekengeld in verband met
haar bevalling.
3. In afwijking van artikel 634 verwerft de werknemer
die de bedongen arbeid niet verricht wegens ziekte, ongeacht of hij aanspraak
heeft op loon, aanspraak op vakantie over het tijdvak van de laatste zes maanden
waarin de arbeid niet werd verricht, met dien verstande dat tijdvakken worden
samengeteld als zij elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen.
De werknemer die de bedongen arbeid slechts voor een gedeelte van de overeengekomen
arbeidsduur niet verricht wegens ziekte, verwerft slechts aanspraak op vakantie
die een evenredig gedeelte bedraagt van datgene waarop hij recht zou hebben
gehad als hij gedurende de volledige arbeidsduur arbeid zou hebben verricht.
Indien de ziekte door opzet van de werknemer is ontstaan of het gevolg is van
een gebrek waarover hij in het kader van een aanstellingskeuring opzettelijk
valse inlichtingen heeft gegeven, verwerft de werknemer evenmin aanspraak op
vakantie. De werknemer heeft evenmin aanspraak op vakantie voor de tijd gedurende
welke hij door zijn toedoen zijn genezing belemmert of vertraagt dan wel hij,
hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid voor
de werkgever of voor een door de werkgever met toestemming van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen aangewezen derde, waartoe de werkgever hem in
de gelegenheid stelt, niet verricht.
4. De aanspraak, bedoeld in de leden 1, onder
d, 2 en 3, vervalt indien de arbeidsovereenkomst door opzegging van de werknemer
eindigt alvorens de arbeid is hervat.
5. De jeugdige werknemer verwerft aanspraak op
vakantie over de tijd die hij besteedt aan het volgen van het onderricht waartoe
hij krachtens de wet door de werkgever in de gelegenheid moet worden gesteld.
Artikel 636
Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer
de overeengekomen arbeid niet verricht wegens een van de redenen, bedoeld in
artikel 629b, en artikel 635, kunnen slechts met instemming van de werknemer
door de werkgever worden aangemerkt als vakantie.
Artikel 637
In afwijking van artikel 636 kan bij schriftelijke
overeenkomst worden overeengekomen dat dagen of gedeelten van dagen waarop de
werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht wegens de reden, bedoeld in
artikel 635 lid 3, als vakantiedagen worden aangemerkt, met dien verstande dat
hij ten minste recht houdt op vakantie, bedoeld in artikel 634.
Artikel 638
1. De werkgever stelt de tijdstippen van aanvang
en einde van de vakantie vast voor zover in de vaststelling niet is voorzien
bij schriftelijke overeenkomst dan wel bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst
of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan of de wet. Deze
vaststelling vindt na overleg met de werknemer plaats en voorts, tenzij gewichtige
redenen dit verhinderen, zo tijdig, dat de werknemer gelegenheid heeft tot het
treffen van voorbereidingen voor de besteding van die vakantie.
2. De werkgever is verplicht de werknemer wiens
aanspraak op vakantie daartoe toereikend is, desverlangd jaarlijks op zodanige
wijze vakantie te verlenen, dat de werknemer gedurende twee opeenvolgende weken
of, indien de bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt dan wel de werknemer dit
wenst, tweemaal een week geen arbeid behoeft te verrichten.
3. De werkgever draagt er zoveel mogelijk zorg
voor dat de werknemer de in lid 2 bedoelde ononderbroken vakantie kan opnemen
in de periode tussen 30 april en 1 oktober.
4. De werkgever kan, indien daartoe gewichtige
redenen aanwezig zijn, na overleg met de werknemer, het vastgestelde tijdvak
van de vakantie wijzigen.
5. De schade die de werknemer ten gevolge van
de wijziging van het tijdvak lijdt, wordt door de werkgever vergoed.
6. De werkgever is verplicht de werknemer wiens
aanspraak op vakantie daartoe toereikend is, de overige vakantiedagen te verlenen,
tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
Artikel 639
1. De werknemer behoudt gedurende zijn vakantie
recht op loon.
2. Indien hierin bij collectieve arbeidsovereenkomst
of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan is voorzien,
kan de werkgever aan zijn verplichting om gedurende de vakantie loon te betalen
voldoen hetzij door aan de werknemer vakantiebonnen over te dragen ten laste
van een fonds, hetzij door betaling aan een fonds ten laste waarvan de werknemer
gelijkwaardige rechten verwerft. Voor de toepassing van dit artikel worden vakantiebonnen
als loon beschouwd.
Artikel 640
De werknemer kan tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst
geen afstand doen van zijn aanspraak op vakantie tegen schadevergoeding.
Artikel 641
1. Een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst
nog aanspraak op vakantie heeft, heeft recht op een uitkering in geld tot een
bedrag van het loon over een tijdvak overeenkomend met de aanspraak, tenzij
artikel 639 lid 2 van toepassing is.
2. De werkgever is verplicht aan de werknemer
een verklaring uit te reiken waaruit blijkt over welk tijdvak de werknemer bij
het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak op vakantie heeft.
3. Indien de werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst
aangaat, heeft hij tegenover de nieuwe werkgever aanspraak op vakantie zonder
behoud van loon gedurende het tijdvak waarover hij blijkens de in lid 2 bedoelde
verklaring nog aanspraak op vakantie had.
Artikel 642
Een rechtsvordering tot toekenning van vakantie
verjaart door verloop van twee jaren na de laatste dag van het kalenderjaar
waarin de aanspraak is ontstaan.
Artikel 643
1. De werknemer kan verlangen dat de werkgever
hem verlof zonder behoud van loon verleent voor het als lid bijwonen van vergaderingen
van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, van vertegenwoordigende organen van
publiekrechtelijke lichamen die bij rechtstreekse verkiezing worden samengesteld,
uitgezonderd echter de Tweede Kamer der Staten-Generaal, alsmede van commissies
uit deze organen. Deze bepaling vindt mede toepassing op de werknemer die deel
uitmaakt van een met algemeen bestuur belast orgaan van een waterschap.
2. Indien daarover tussen de werkgever en de
werknemer geen overeenstemming bestaat, stelt de rechter op verzoek van de meest
gerede partij vast in welke mate dit verlof behoort te worden verleend. De rechter
beoordeelt in hoever, gezien het belang dat de werknemer aan de in lid 1 bedoelde
vergaderingen kan deelnemen, in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd
dat de werknemer afwezig is. De beschikking van de rechter is uitvoerbaar bij
voorraad.
3. De leden 1 en 2 vinden overeenkomstige toepassing
op gedeputeerden, wethouders en leden van het dagelijks bestuur van een waterschap,
wier functie niet als een volledige wordt bezoldigd. Bij algemene maatregel
van bestuur wordt bepaald, welke gedeputeerdenfuncties en wethoudersfuncties
voor de toepassing van dit artikel als volledig bezoldigd worden aangemerkt.
4. Dit artikel blijft buiten toepassing ten aanzien
van die groepen werknemers voor wie uit hoofde van verlening van rijksvergoeding
bij of krachtens de wet een andere regeling is vastgesteld.
Artikel 644
1. De werknemer die als ouder in familierechtelijke
betrekking staat tot een kind, onderscheidenlijk de werknemer die blijkens verklaringen
uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als een kind
en duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft
genomen, heeft recht op verlof zonder behoud van loon. Indien de terzake van
het recht op het verlof in de eerste volzin gestelde voorwaarden ten aanzien
van meer kinderen van de werknemer met ingang van hetzelfde tijdstip worden
vervuld, bestaat het recht slechts ten aanzien van één van die
kinderen. Geen recht op verlof bestaat over tijdvakken gelegen na de datum waarop
het kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt.
2. Het recht bestaat slechts indien de arbeidsovereenkomst
tenminste een jaar heeft geduurd. Indien de arbeid buiten Nederland wordt verricht
bestaat recht op verlof tenzij gewichtige redenen zich hiertegen verzetten.
3. Het totaal aantal uren verlof waarop de werknemer
ten hoogste recht heeft bedraagt de arbeidsduur per week gerekend over een periode
van dertien weken.
4. Het verlof wordt per week opgenomen gedurende
een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden. Het aantal uren verlof
per week bedraagt ten hoogste de helft van de arbeidsduur per week. In afwijking
van de eerste dan wel tweede volzin kan de werknemer de werkgever verzoeken
om verlof voor een langere periode dan zes maanden onderscheidenlijk om meer
uren verlof per week dan de helft van de arbeidsduur per week. De werkgever
stemt in met het verzoek tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
5. De werknemer meldt het voornemen om verlof
op te nemen ten minste twee maanden voor het tijdstip van ingang van het verlof
schriftelijk aan de werkgever onder opgave van de periode, het aantal uren verlof
per week en de spreiding daarvan over de week. De tijdstippen van ingang en
einde van het verlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling,
van het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging.
6. De werkgever kan, na overleg met de werknemer,
de spreiding van de uren over de week op grond van gewichtige redenen wijzigen,
tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof.
7. De werkgever is verplicht in te stemmen met
een verzoek van de werknemer om het verlof niet op te nemen of niet voort te
zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen zich
hiertegen verzetten. De werkgever behoeft aan het verzoek niet met ingang van
een vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier weken na het verzoek. In het geval
dat het verlof met toepassing van de eerste volzin na het tijdstip van ingang
daarvan niet wordt voortgezet, vervalt het recht op het overige deel van dat
verlof.
8. Op de berekening van de in lid 2, eerste volzin,
bedoelde termijn zijn de artikelen 668a leden 1 en 2, en 672 lid 9 van overeenkomstige
toepassing.
9. Van de leden 1, 2, 5, eerste volzin, voorzover
betrekking hebbende op het tijdstip van de in dat lid bedoelde melding, en tweede
volzin, de leden 7 en 8 kan slechts worden afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst
of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 645
Van de artikelen 634 tot en met 643 en 644, leden
3, 4, en 5, eerste volzin voorzover betrekking hebbende op de periode, het aantal
uren verlof per week en de spreiding daarvan over de week, en lid 6 kan niet
ten nadele van de werknemer worden afgeweken, tenzij zodanige afwijking bij
die artikelen is toegelaten.
Artikel 646
1. De werkgever mag geen onderscheid maken tussen
mannen en vrouwen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst, het verstrekken
van onderricht aan de werknemer, in de arbeidsvoorwaarden, bij de bevordering
en bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst.
2. Van lid 1 mag, voor zover het betreft het
aangaan van de arbeidsovereenkomst en het verstrekken van onderricht, worden
afgeweken in die gevallen waarin het geslacht bepalend is. Daarbij is artikel
5, derde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige
toepassing.
3. Van lid 1 mag worden afgeweken indien het
bedingen betreft die op de bescherming van de vrouw, met name in verband met
zwangerschap of moederschap, betrekking hebben.
4. Van lid 1 mag worden afgeweken indien het
bedingen betreft die vrouwelijke werknemers in een bevoorrechte positie beogen
te plaatsen ten einde feitelijke ongelijkheden op te heffen of te verminderen
en het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.
5. In dit artikel wordt onder onderscheid tussen
mannen en vrouwen verstaan direct en indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen.
Onder direct onderscheid wordt mede verstaan onderscheid op grond van zwangerschap,
bevalling en moederschap. Onder indirect onderscheid wordt verstaan onderscheid
op grond van andere hoedanigheden dan het geslacht, bijvoorbeeld echtelijke
staat of gezinsomstandigheden, dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg
heeft.
6. Het in lid 1 neergelegde verbod van onderscheid
geldt niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd
is.
7. Een beding in strijd met lid 1 is nietig.
Artikel 647
1. De opzegging van de arbeidsovereenkomst door
de werkgever in strijd met artikel 646 lid 1 of wegens de omstandigheid dat
de werknemer in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op artikel 646 lid
1 is vernietigbaar.
2. Indien de werknemer niet binnen twee maanden
na de opzegging een beroep op deze vernietigingsgrond doet, vervalt zijn bevoegdheid
daartoe. Artikel 55 van Boek 3 is niet van toepassing.
3. Een rechtsvordering in verband met de vernietiging
verjaart door verloop van zes maanden na de dag waartegen is opgezegd.
4. De opzegging, bedoeld in artikel 646 lid 1,
maakt de werkgever niet schadeplichtig.
Artikel 648
1. De werkgever mag geen onderscheid maken tussen
werknemers op grond van een verschil in arbeidsduur in de voorwaarden waaronder
een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan, voortgezet dan wel opgezegd, tenzij
een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is. De opzegging van de
arbeidsovereenkomst door de werkgever in strijd met de vorige zin of wegens
de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte een beroep heeft gedaan
op het bepaalde in de vorige zin is vernietigbaar. Artikel 647, leden 2 en 3,
is van toepassing.
2. Een beding in strijd met lid 1 is nietig.
3. De opzegging, bedoeld in de eerste zin van
lid 1, maakt de werkgever niet schadeplichtig.
4. De Commissie gelijke behandeling, genoemd
in artikel 11 van de Algemene wet gelijke behandeling, kan onderzoeken of een
onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in het eerste lid. De artikelen
12, 13 , 14, 15, 20, tweede lid, en 33 van de Algemene wet gelijke behandeling
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 649 (vacant)
Artikel 650
1. De werkgever kan slechts boete stellen op
de overtreding van de voorschriften van de arbeidsovereenkomst, indien in de
arbeidsovereenkomst de voorschriften op de overtreding waarvan boete is gesteld
en het bedrag van de boete zijn vermeld.
2. De overeenkomst waarbij boete wordt bedongen,
wordt schriftelijk aangegaan.
3. De overeenkomst waarbij boete is bedongen,
vermeldt nauwkeurig de bestemming van de boete. Zij mogen noch onmiddellijk
noch middellijk strekken tot persoonlijk voordeel van de werkgever zelf of van
degene aan wie de werkgever de bevoegdheid heeft verleend om aan werknemers
een boete op te leggen.
4. Iedere boete, in een overeenkomst bedongen,
is op een bepaald bedrag gesteld, uitgedrukt in het geld waarin het loon in
geld is vastgesteld.
5. Binnen een week mag aan de werknemer geen
hoger bedrag aan gezamenlijke boetes worden opgelegd dan zijn in geld vastgesteld
loon voor een halve dag. Geen afzonderlijke boete mag hoger dan dit bedrag worden
gesteld.
6. Elk beding in strijd met enige bepaling van
dit artikel is nietig. Echter mag, doch alleen ten aanzien van werknemers wier
in geld vastgesteld loon meer bedraagt dan het voor hen geldende minimumloon
bij schriftelijk aangegane overeenkomst van de bepalingen van de leden 3, 4
en 5 worden afgeweken. Is zulks geschied, dan zal de rechter steeds bevoegd
zijn de boete op een kleinere som te bepalen, indien de opgelegde boete hem
bovenmatig voorkomt.
7. Ondergaat het bedrag van het loon, genoemd
in lid 6, wijziging, dan wordt de werking van bedingen waarbij van de leden
3, 4 en 5 is afgeweken, geschorst jegens de werknemer wiens in geld vastgesteld
loon niet meer bedraagt dan het gewijzigde bedrag van het minimumloon.
8. Onder het stellen en bedingen van boete in
de zin van dit artikel wordt begrepen het door de werkgever bedingen van boete
als bedoeld in de artikelen 91 tot en met 94 van Boek 6.
Artikel 651
1. De mogelijkheid een boete op te leggen laat
het recht op schadevergoeding op grond van de wet onverlet. Echter mag de werkgever
ter zake van een zelfde feit niet boete heffen en tevens schadevergoeding vorderen.
2. Elk beding in strijd met de tweede zin van
lid 1 is nietig.
Artikel 652
1. Indien partijen een proeftijd overeenkomen,
is deze voor beide partijen gelijk.
2. De proeftijd wordt schriftelijk overeengekomen.
3. Bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd kan een proeftijd worden overeengekomen van ten hoogste
twee maanden.
4. Bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd kan een proeftijd worden overeengekomen van ten hoogste:
a een maand, indien de overeenkomst is aangegaan voor korter dan twee jaren;
b twee maanden, indien de overeenkomst is aangegaan
voor twee jaren of langer.
5. Indien het einde van een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd niet op een kalenderdatum is gesteld, kan een proeftijd worden
overeengekomen van ten hoogste een maand.
6. Van de leden 4, onder a, en 5, kan slechts
bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe
bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele van de werknemer.
7. Elk beding waarbij de proeftijd niet voor
beide partijen gelijk is dan wel op langer dan twee maanden wordt gesteld, alsmede
elk beding waarbij door het aangaan van een nieuwe proeftijd de gezamenlijke
proeftijden langer dan twee maanden worden, is nietig.
Artikel 653
1. Een beding tussen de werkgever en de werknemer
waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de
overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, is slechts geldig, indien de
werkgever dit schriftelijk is overeengekomen met een meerderjarige werknemer.
2. De rechter kan zulk een beding geheel of gedeeltelijk
vernietigen op grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de
werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld.
3. Aan een beding als bedoeld in lid 1 kan de
werkgever geen rechten ontlenen, indien hij wegens de wijze waarop de overeenkomst
is geëindigd, schadeplichtig is.
4. Indien een beding als bedoeld in lid 1 de
werknemer in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van de werkgever
werkzaam te zijn, kan de rechter steeds bepalen dat de werkgever voor de duur
van de beperking aan de werknemer een vergoeding moet betalen. De rechter stelt
de hoogte van deze vergoeding met het oog op de omstandigheden van het geval
naar billijkheid vast; hij kan toestaan dat de vergoeding op de door hem te
bepalen wijze in termijnen wordt betaald. De vergoeding is niet verschuldigd,
indien de werknemer wegens de wijze waarop de overeenkomst is geëindigd,
schadeplichtig is.
Artikel 654
1. Wanneer een arbeidsovereenkomst schriftelijk
wordt aangegaan of gewijzigd, zijn de kosten van het geschrift en andere bijkomende
kosten ten laste van de werkgever.
2. De werkgever is verplicht kosteloos een volledig,
door hem ondertekend, afschrift van het geschrift waarbij de arbeidsovereenkomst
is aangegaan of gewijzigd, aan de werknemer te verstrekken.
Artikel 655
1. De werkgever is verplicht aan de werknemer
een schriftelijke opgave te verstrekken met ten minste de volgende gegevens:
a naam en woonplaats van partijen;
b de plaats of plaatsen waar de arbeid wordt
verricht;
c de functie van de werknemer of de aard van
zijn arbeid;
d het tijdstip van indiensttreding;
e indien de overeenkomst voor bepaalde tijd is
gesloten, de duur van de overeenkomst;
f de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening
van de aanspraak;
g de duur van de door partijen in acht te nemen
opzegtermijnen of de wijze van berekening van deze termijnen;
h het loon en de termijn van uitbetaling alsmede,
indien het loon afhankelijk is van de uitkomsten van de te verrichten arbeid,
de per dag of per week aan te bieden hoeveelheid arbeid, de prijs per stuk en
de tijd die redelijkerwijs met de uitvoering is gemoeid;
i de gebruikelijke arbeidsduur per dag of per
week;
j of de werknemer gaat deelnemen aan een pensioenregeling;
k indien de werknemer voor een langere termijn
dan een maand werkzaam zal zijn buiten Nederland, mede de duur van die werkzaamheid,
de huisvesting, de toepasselijkheid van de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving
dan wel opgave van de voor de uitvoering van die wetgeving verantwoordelijke
organen, de geldsoort waarin betaling zal plaatsvinden, de vergoedingen waarop
de werknemer recht heeft en de wijze waarop de terugkeer geregeld is;
l de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst
of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan;
m of de arbeidsovereenkomst een uitzendovereenkomst
is als bedoeld in artikel 690.
2. Voor zover de gegevens, bedoeld in lid 1,
onderdelen a tot en met j, zijn vermeld in een schriftelijk aangegane arbeidsovereenkomst
of in de opgave, bedoeld in artikel 626, kan vermelding achterwege blijven.
Voor zover de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen f tot en met i,
zijn vermeld in een toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of regeling
door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan, kan worden volstaan met een
verwijzing naar deze overeenkomst of regeling.
3. De werkgever verstrekt de opgave binnen een
maand na de aanvang van de werkzaamheden of zo veel eerder als de overeenkomst
eindigt. De gegevens, bedoeld in lid 1, onderdeel k, worden verstrekt voor het
vertrek. De opgave wordt door de werkgever ondertekend. Wijziging in de gegevens
wordt binnen een maand nadat de wijziging van kracht is geworden, aan de werknemer
schriftelijk medegedeeld, tenzij deze voortvloeit uit wijziging van een wettelijk
voorschrift, collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een
daartoe bevoegd bestuursorgaan.
4. Indien de overeenkomst betreft het doorgaans
op minder dan drie dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend verrichten
van huishoudelijke of persoonlijke diensten ten behoeve van een natuurlijk persoon,
behoeft de werkgever slechts op verlangen van de werknemer de gegevens te verstrekken.
5. De werkgever die weigert de opgave te verstrekken
of daarin onjuiste mededelingen opneemt, is jegens de werknemer aansprakelijk
voor de daardoor veroorzaakte schade.
6. De leden 1 tot en met 5 zijn van overeenkomstige
toepassing op een overeenkomst die de voorwaarden regelt van een of meer arbeidsovereenkomsten
die partijen zullen sluiten indien na oproep arbeid wordt verricht, en op het
aangaan van een andere overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst, al dan niet
gevolgd door andere soortgelijke overeenkomsten, waarbij de ene partij, natuurlijk
persoon, zich verbindt voor de andere partij tegen beloning arbeid te verrichten,
tenzij deze overeenkomst wordt aangegaan in beroep of bedrijf. Op de in dit
lid bedoelde overeenkomsten is artikel 654 van overeenkomstige toepassing.
7. Indien lid 6 van toepassing is, wordt in de
schriftelijke opgave, bedoeld in lid 1, tevens vermeld welke overeenkomst is
aangegaan.
8. Een beding in strijd met dit artikel is nietig.
Artikel 656
1. De werkgever is verplicht bij het einde van
de arbeidsovereenkomst de werknemer op diens verzoek een getuigschrift uit te
reiken.
2. Het getuigschrift vermeldt: a de aard van
de verrichte arbeid en de arbeidsduur per dag of per week;
b de begindatum en de einddatum van het dienstverband;
c een opgave van de wijze waarop de werknemer
aan zijn verplichtingen heeft voldaan;
d een opgave van de wijze waarop de arbeidsovereenkomst
is geëindigd;
e indien de werkgever de arbeidsovereenkomst
heeft opgezegd, de reden daartoe.
3. De in lid 2, onderdelen c, d en e, genoemde
gegevens worden slechts op verzoek van de werknemer in het getuigschrift vermeld.
4. Indien de werknemer de arbeidsovereenkomst
heeft opgezegd en hij deswege schadeplichtig is geworden, is de werkgever gerechtigd
dit in het getuigschrift te vermelden.
5. De werkgever die weigert het gevraagde getuigschrift
af te geven, nalaat aan een verzoek als bedoeld in lid 3 te voldoen, in het
getuigschrift door opzet of schuld onjuiste mededelingen opneemt of het getuigschrift
van een kenmerk voorziet of op een bepaalde wijze inricht om daarmee aangaande
de werknemer enige mededeling te doen die niet in de bewoordingen van het getuigschrift
is vervat, is zowel jegens de werknemer als jegens derden aansprakelijk voor
de daardoor veroorzaakte schade.
6. Van dit artikel kan niet ten nadele van de
werknemer worden afgeweken.
Artikel 657 (vacant)
Artikel 658
1. De werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen
en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige
wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid
zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs
nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden
schade lijdt.
2. De werkgever is jegens de werknemer aansprakelijk
voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt,
tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen
of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid
van de werknemer.
3. Van de leden 1 en 2 en van hetgeen titel 3
van Boek 6, bepaalt over de aansprakelijkheid van de werkgever kan niet ten
nadele van de werknemer worden afgeweken.
4. Hij die in de uitoefening van zijn beroep
of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst
heeft, is overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 aansprakelijk voor de schade
die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. De kantonrechter
is bevoegd kennis te nemen van vorderingen op grond van de eerste zin van dit
lid.
Artikel 659
1. De werknemer is verplicht de arbeid zelf te
verrichten; hij kan zich daarin niet dan met toestemming van de werkgever door
een derde doen vervangen.
2. De rechtsvordering tot nakoming van de arbeidsverplichting
van de werknemer onder de bepaling van een dwangsom of van gijzeling is niet
toegelaten.
Artikel 660
De werknemer is verplicht zich te houden aan
de voorschriften omtrent het verrichten van de arbeid alsmede aan die welke
strekken ter bevordering van de goede orde in de onderneming van de werkgever,
door of namens de werkgever binnen de grenzen van algemeen verbindende voorschriften,
of overeenkomst aan hem, al dan niet tegelijk met andere werknemers, gegeven.
Artikel 661
1. De werknemer die bij de uitvoering van de
overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever of aan een derde jegens wie de
werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden, is te dier zake niet jegens
de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of
bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval kan, mede gelet op
de aard van de overeenkomst, anders voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald.
2. Afwijking van lid 1 en van artikel 170 lid
3 van Boek 6 ten nadele van de werknemer is slechts mogelijk bij schriftelijke
overeenkomst en slechts voor zover de werknemer te dier zake verzekerd is.
Artikel 662
Voor de toepassing van deze afdeling wordt a
onder onderneming een dienst of instelling begrepen;
b onder overgang van een onderneming verstaan:
overgang van een onderneming of een onderdeel daarvan ten gevolge van een overeenkomst,
inzonderheid een overeenkomst tot verkoop, verhuur, verpachting of uitgifte
in vruchtgebruik, of ten gevolge van een splitsing als bedoeld in artikel 334a
van Boek 2.
Artikel 663
Door de overgang van een onderneming gaan de
rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming
voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en een daar werkzame werknemer
van rechtswege over op de verkrijger. Evenwel is die werkgever nog gedurende
een jaar na de overgang naast de verkrijger hoofdelijk verbonden voor de nakoming
van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, die zijn ontstaan vóór
dat tijdstip.
Artikel 664
1. Artikel 663 is niet van toepassing op rechten
en verplichtingen van de werkgever die voortvloeien uit een toezegging omtrent
pensioen als omschreven in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioen-
en spaarfondsenwet, dan wel uit een spaarregeling als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, van die wet.
2. Voor de nakoming van verplichtingen van de
werkgever die op het tijdstip van de overgang van de onderneming voor hem voortvloeien
uit een pensioentoezegging of spaarregeling als bedoeld in lid 1, waarop artikel
2, eerste lid, onderscheidenlijk 3, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet
ingevolge het bij of krachtens die wet bepaalde niet van toepassing is, is de
verkrijger hoofdelijk verbonden naast de eerstgenoemde.
3. Lid 2 is niet van toepassing voor wat betreft
verplichtingen jegens een werknemer die op het tijdstip van de overgang middellijk
of onmiddellijk houder is van aandelen die ten minste een tiende gedeelte van
het geplaatste kapitaal van de onderneming vertegenwoordigen.
Artikel 665
Indien de overgang van een onderneming een wijziging
van de omstandigheden ten nadele van de werknemer tot gevolg heeft en de arbeidsovereenkomst
deswege wordt ontbonden ingevolge artikel 685, geldt zij met het oog op de toepassing
van lid 8 van dat artikel als ontbonden wegens een reden welke voor rekening
van de werkgever komt.
Artikel 666
1. Deze afdeling is niet van toepassing op de
overgang van een onderneming indien de werkgever in staat van faillissement
is verklaard en de onderneming tot de boedel behoort.
2. Deze afdeling is niet van toepassing met betrekking
tot de bemanning van een zeeschip.
Artikel 667
1. Een arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege,
wanneer de tijd is verstreken bij overeenkomst, bij de wet of door het gebruik
aangegeven.
2. Voorafgaande opzegging is in dat geval nodig:
a indien zulks bij schriftelijk aangegane overeenkomst is bepaald;
b indien volgens de wet of het gebruik opzegging
behoort plaats te vinden en daarvan niet, waar zulks geoorloofd is, bij schriftelijk
aangegane overeenkomst is afgeweken.
3. Een arbeidsovereenkomst als bedoeld in lid
1 kan slechts tussentijds worden opgezegd indien voor ieder der partijen dat
recht schriftelijk is overeengekomen.
4. Indien een voor onbepaalde tijd aangegane
arbeidsovereenkomst, die anders dan door rechtsgeldige opzegging of door ontbinding
door de rechter is geëindigd, éénmaal of meermalen is voortgezet
door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met tussenpozen van niet meer
dan drie maanden, is in afwijking van lid 1 voor de beëindiging van die
laatste arbeidsovereenkomst voorafgaande opzegging nodig. De termijn van opzegging
wordt berekend vanaf het tijdstip van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd.
5. Van een voortgezette arbeidsovereenkomst als
bedoeld in lid 4 is eveneens sprake indien eenzelfde werknemer achtereenvolgens
in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die redelijkerwijze geacht
moeten worden ten aanzien van de verrichte arbeid elkanders opvolger te zijn.
6. Voor de beëindiging van een voor onbepaalde
tijd aangegane arbeidsovereenkomst is voorafgaande opzegging nodig.
7. Een beding, krachtens hetwelk de arbeidsovereenkomst
van rechtswege eindigt wegens het in het huwelijk treden van de werknemer of
wegens het aangaan van een geregistreerd partnerschap door de werknemer, is
nietig.
8. Een beding, krachtens hetwelk de arbeidsovereenkomst
van rechtswege eindigt wegens zwangerschap of bevalling van de werkneemster,
is nietig.
Artikel 668
1. Indien de arbeidsovereenkomst na het verstrijken
van de tijd, bedoeld in artikel 667 lid 1, door partijen zonder tegenspraak
wordt voortgezet, wordt zij geacht voor dezelfde tijd, doch telkens ten hoogste
voor een jaar, op de vroegere voorwaarden wederom te zijn aangegaan.
2. Hetzelfde geldt, wanneer in de gevallen waarin
opzegging nodig is, tijdige opzegging achterwege blijft en de gevolgen van de
voortzetting der arbeidsovereenkomst niet opzettelijk zijn geregeld.
Artikel 668a
1. Vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen:
a arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer
dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen
inbegrepen, hebben overschreden, geldt met ingang van die dag de laatste arbeidsovereenkomst
als aangegaan voor onbepaalde tijd;
b meer dan 3 voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten
elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 3 maanden, geldt de
laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd.
2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op
elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen een werknemer en verschillende
werkgevers, die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten
worden elkanders opvolger te zijn.
3. Lid 1, onderdeel a en laatste zinsnede, is
niet van toepassing op een arbeidsovereenkomst aangegaan voor niet meer dan
3 maanden die onmiddellijk volgt op een tussen dezelfde partijen aangegane arbeidsovereenkomst
voor 36 maanden of langer.
4. De termijn van opzegging wordt berekend vanaf
het tijdstip van totstandkoming van de eerste arbeidsovereenkomst als bedoeld
onder a of b van lid 1.
5. Van de leden 1 tot en met 4 kan slechts bij
collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd
bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele van de werknemer.
Artikel 669
Degene die de arbeidsovereenkomst opzegt, geeft
de andere partij op diens verzoek schriftelijk opgave van de reden van opzegging.
Artikel 670
1. De werkgever kan niet opzeggen gedurende de
tijd dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte, tenzij de ongeschiktheid: a ten minste twee jaren heeft geduurd, of
b een aanvang heeft genomen nadat een verzoek
om toestemming als bedoeld in artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen
1945 door de Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is ontvangen.
2. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst met
een werkneemster niet opzeggen gedurende de zwangerschap. De werkgever kan ter
staving van de zwangerschap een verklaring van een arts of van een verloskundige
verlangen.
Voorts kan de werkgever de arbeidsovereenkomst
van de werkneemster niet opzeggen gedurende de periode waarin zij ingevolge
de artikelen 29a, eerste lid, van de Ziektwet of 22, eerste lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen recht op ziekengeld of recht
op een uitkering heeft in verband met haar bevalling en na werkhervatting, gedurende
het tijdvak van zes weken aansluitend op die periode dan wel aansluitend op
de periode, bedoeld in artikel 29a, zevende lid, van de Ziektewet of op de periode
die aanvangt na een periode van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid
die haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap
aansluitend op de dag, bedoeld in artikel 22, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen.
3. De werkgever kan niet opzeggen gedurende de
tijd dat de werknemer verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, omdat
hij als dienstplichtige is opgeroepen ter vervulling van zijn militaire dienst
of vervangende dienst.
4. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst met
de werknemer die lid is van een ondernemingsraad, van een centrale ondernemingsraad,
van een groepsondernemingsraad, van een vaste commissie van die raden of van
een onderdeelcommissie van de ondernemingsraad, van een personeelsvertegenwoordiging,
van een arbocommissie of van een bijzondere onderhandelingsgroep of een Europese
ondernemingsraad als bedoeld in de Wet op de Europese ondernemingsraden, dan
wel die krachtens die wet optreedt als vertegenwoordiger bij een andere wijze
van informatieverstrekking en raadpleging van werknemers, niet opzeggen. Indien
de werkgever aan de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging een
secretaris heeft toegevoegd, is de eerste volzin op die secretaris van overeenkomstige
toepassing. Indien de werkgever aan de ondernemingsraad een secretaris heeft
toegevoegd, is de eerste volzin van dit lid van overeenkomstige toepassing op
die secretaris.
5. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet
opzeggen wegens het lidmaatschap van de werknemer van een vereniging van werknemers
die krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van de leden als werknemer
te behartigen dan wel wegens het verrichten van of deelnemen aan activiteiten
ten behoeve van die vereniging, tenzij die activiteiten in de arbeidstijd van
de werknemer worden verricht zonder toestemming van de werkgever.
6. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst met
de werknemer die daarvoor verlof heeft, niet opzeggen wegens het bijwonen van
vergaderingen als bedoeld in artikel 643. Hetzelfde geldt indien tussen partijen
geen overeenstemming over het verlof bestaat zolang de rechter omtrent het verlof
niet heeft beschikt.
7. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet
opzeggen wegens de omstandigheid dat de werknemer zijn recht op ouderschapsverlof
geldend maakt.
8. Van de leden 1 en 3 kan slechts worden afgeweken
bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe
bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 670a
1. De werkgever kan zonder voorafgaande toestemming
van de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet opzeggen met een werknemer
die: a geplaatst is op een kandidatenlijst voor een ondernemingsraad dan wel
een personeelsvertegenwoordiging of korter dan twee jaar geleden lid is geweest
van een ondernemingsraad, van een centrale ondernemingsraad, van een groepsondernemingsraad
of van een commissie van die raden, van een personeelsvertegenwoordiging of
van een bijzondere onderhandelingsgroep of een Europese ondernemingsraad als
bedoeld in de Wet op de Europese ondernemingsraden dan wel die korter dan twee
jaar geleden krachtens die wet is opgetreden als vertegenwoordiger bij een andere
wijze van informatieverstrekking en raadpleging van werknemers;
b lid is van een voorbereidingscommissie van
een ondernemingsraad, van een centrale ondernemingsraad of van een groepsondernemingsraad;
c korter dan twee jaar geleden lid is geweest
van de arbocommissie;
d als mentor of als deskundige werknemer als
bedoeld in artikel 8, vijfde lid, onderscheidenlijk 17, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet
werkzaam is.
2. De toestemming van de kantonrechter wordt
gevraagd bij verzoekschrift. De kantonrechter verleent de toestemming slechts
indien de werkgever aannemelijk heeft gemaakt dat opzegging geen verband houdt
met een omstandigheid als bedoeld in lid 1. Van de uitspraak staat geen hoger
beroep of beroep in cassatie open.
Artikel 670b
1. De artikelen 670 en 670a zijn niet van toepassing
bij een opzegging gedurende de proeftijd of wegens een dringende reden.
2. De leden 1 tot en met 7 van artikel 670 en
artikel 670a zijn niet van toepassing indien de werknemer schriftelijk met de
opzegging instemt of indien de opzegging geschiedt wegens de beëindiging
van de werkzaamheden van de onderneming of van het onderdeel van de onderneming,
waarin de werknemer uitsluitend of in hoofdzaak werkzaam is. De opzegging wegens
beëindiging van de werkzaamheden kan evenwel niet betreffen de werkneemster
die recht heeft op ziekengeld in de periode als bedoeld in de artikelen 29a,
eerste lid, van de Ziektewet of 22, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen.
Artikel 671 (vacant)
Artikel 672
1. Opzegging geschiedt tegen het einde van de
maand, tenzij bij schriftelijke overeenkomst of door het gebruik een andere
dag daarvoor is aangewezen.
2. De door de werkgever in acht te nemen termijn
van opzegging bedraagt bij een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging:
a korter dan vijf jaar heeft geduurd: één maand;
b vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar
heeft geduurd: twee maanden;
c tien jaar of langer, maar korter dan vijftien
jaar heeft geduurd: drie maanden;
d vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier
maanden.
3. De door de werknemer in acht te nemen termijn
van opzegging bedraagt één maand.
4. Indien de toestemming bedoeld in artikel 6
van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 is verleend, wordt de
door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging verkort met één
maand, met dien verstande dat de resterende termijn van opzegging ten minste
één maand bedraagt.
5. De termijn, bedoeld in lid 2, kan slechts
worden verkort bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens
een daartoe bevoegd bestuursorgaan. De termijn kan schriftelijk worden verlengd.
6. Van de termijn, bedoeld in lid 3, kan schriftelijk
worden afgeweken. De termijn van opzegging voor de werknemer mag bij verlenging
niet langer zijn dan zes maanden en voor de werkgever niet korter dan het dubbele
van die voor de werknemer.
7. Van lid 4 kan, voor zover het betreft de resterende
termijn van opzegging van één maand, slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst
of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken
ten nadele van de werknemer.
8. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij
regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan, mag de termijn van
opzegging, bedoeld in lid 6, tweede volzin, voor de werkgever worden verkort,
mits de termijn niet korter is dan die voor de werknemer.
9. Voor de toepassing van lid 2 worden arbeidsovereenkomsten
geacht eenzelfde, niet onderbroken arbeidsovereenkomst te vormen in geval van
herstel van de arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 682.
Artikel 673 (vacant)
Artikel 674
1. De arbeidsovereenkomst eindigt door de dood
van de werknemer.
2. Niettemin is de werkgever verplicht aan de
nagelaten betrekkingen van de werknemer over de periode vanaf de dag na overlijden
tot en met één maand na de dag van het overlijden, een uitkering
te verlenen ten bedrage van het loon dat de werknemer laatstelijk rechtens toekwam.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
nagelaten betrekkingen verstaan de langstlevende der echtgenoten dan wel geregistreerde
partners van wie de werknemer niet duurzaam gescheiden leefde dan wel degene
met wie de werknemer ongehuwd samenleefde, bij ontstentenis van deze de minderjarige
kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond en bij
ontstentenis van dezen degene met wie de werknemer in gezinsverband leefde en
in wiens kosten van bestaan hij grotendeels voorzag. Van ongehuwd samenleven
als bedoeld in de eerste zin is sprake indien twee ongehuwde personen een gezamenlijke
huishouding voeren, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste graad.
Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de tweede zin is sprake indien
de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven
zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
4. De overlijdensuitkering, bedoeld in lid 2,
kan worden verminderd met het bedrag van de uitkering dat aan de nagelaten betrekkingen
ter zake van het overlijden van de werknemer toekomt krachtens een wettelijk
voorgeschreven ziekte- of arbeidsongeschiktheidsverzekering en krachtens de
Toeslagenwet.
5. Lid 2 geldt niet indien de werknemer onmiddellijk
voorafgaande aan het overlijden door toepassing van artikel 629 lid 3, geen
aanspraak had op loon als bedoeld in artikel 629 lid 1 of indien ten gevolge
van het toedoen van de werknemer geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens
een wettelijk voorgeschreven ziekte- of arbeidsongeschiktheidsverzekering.
6. Van dit artikel kan niet ten nadele van de
nagelaten betrekkingen worden afgeweken.
Artikel 675
De arbeidsovereenkomst eindigt niet door de dood
van de werkgever, tenzij uit de overeenkomst het tegendeel voortvloeit. Echter
zijn zowel de erfgenamen van de werkgever als de werknemer bevoegd de arbeidsovereenkomst,
voor een bepaalde tijd aangegaan, op te zeggen met inachtneming van de artikelen
670, 670a en 672, als ware zij aangegaan voor onbepaalde tijd.
Artikel 676
1. Indien een proeftijd is bedongen, is ieder
der partijen, zolang die tijd niet is verstreken, bevoegd de arbeidsovereenkomst
met onmiddellijke ingang op te zeggen.
2. Bij een zodanige opzegging zijn de artikelen
681 en 682 niet van toepassing.
Artikel 677
1. Ieder der partijen is bevoegd de arbeidsovereenkomst
onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling
van die reden aan de wederpartij. De partij die opzegt zonder een dringende
reden of zonder gelijktijdige mededeling van de dringende reden is schadeplichtig.
2. De partij die opzegt tegen een eerdere dag
dan tussen partijen geldt, is schadeplichtig.
3. Eveneens is schadeplichtig de partij die door
opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst
onverwijld op te zeggen, indien de wederpartij van die bevoegdheid heeft gebruik
gemaakt of de rechter op die grond krachtens artikel 685 de arbeidsovereenkomst
heeft ontbonden.
4. Ingeval een der partijen schadeplichtig is,
heeft de wederpartij de keus de in artikel 680 genoemde gefixeerde schadevergoeding
of een volledige schadevergoeding te vorderen.
5. Het niet in acht nemen van artikel 670, leden
1 tot en met 7, of van artikel 670a maakt de werkgever niet schadeplichtig.
De werknemer kan in die gevallen gedurende twee
maanden na de opzegging van de arbeidsovereenkomst een beroep doen op de vernietigingsgrond.
Het beroep op de vernietigingsgrond geschiedt door kennisgeving aan de werkgever.
Artikel 55 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 678
1. Voor de werkgever worden als dringende redenen
in de zin van lid 1 van artikel 677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen
of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever
redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
2. Dringende redenen zullen onder andere aanwezig
geacht kunnen worden:
a wanneer de werknemer bij het sluiten van de
overeenkomst de werkgever heeft misleid door het vertonen van valse of vervalste
getuigschriften, of deze opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven omtrent
de wijze waarop zijn vorige arbeidsovereenkomst is geëindigd;
b wanneer hij in ernstige mate de bekwaamheid
of geschiktheid blijkt te missen tot de arbeid waarvoor hij zich heeft verbonden;
c wanneer hij zich ondanks waarschuwing overgeeft
aan dronkenschap of ander liederlijk gedrag;
d wanneer hij zich schuldig maakt aan diefstal,
verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van
de werkgever onwaardig wordt;
e wanneer hij de werkgever, diens familieleden
of huisgenoten, of zijn medewerknemers mishandelt, grovelijk beledigt of op
ernstige wijze bedreigt;
f wanneer hij de werkgever, diens familieleden
of huisgenoten, of zijn medewerknemers verleidt of tracht te verleiden tot handelingen,
strijdig met de wetten of de goede zeden;
g wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing
roekeloos, eigendom van de werkgever beschadigt of aan ernstig gevaar blootstelt;
h wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing
roekeloos, zich zelf of anderen aan ernstig gevaar blootstelt;
i wanneer hij bijzonderheden aangaande de huishouding
of het bedrijf van de werkgever, die hij behoorde geheim te houden, bekendmaakt;
j wanneer hij hardnekkig weigert te voldoen aan
redelijke bevelen of opdrachten, hem door of namens de werkgever verstrekt;
k wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten
veronachtzaamt, welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt;
l wanneer hij door opzet of roekeloosheid buiten
staat geraakt of blijft de bedongen arbeid te verrichten.
3. Bedingen waarbij aan de werkgever de beslissing
wordt overgelaten of er een dringende reden in de zin van artikel 677 lid 1
aanwezig is, zijn nietig
Artikel 679
1. Voor de werknemer worden als dringende redenen
in de zin van artikel 677 lid 1 beschouwd zodanige omstandigheden, die ten gevolge
hebben dat van de werknemer redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst
te laten voortduren.
2. Dringende redenen zullen onder andere aanwezig
geacht kunnen worden: a wanneer de werkgever de werknemer, diens familieleden
of huisgenoten mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt,
of gedoogt dat dergelijke handelingen door een van zijn huisgenoten of ondergeschikten
worden gepleegd;
b wanneer hij de werknemer, diens familieleden
of huisgenoten verleidt of tracht te verleiden tot handelingen, strijdig met
de wetten of de goede zeden, of gedoogt dat een dergelijke verleiding of poging
tot verleiding door een van zijn huisgenoten of ondergeschikten worden gepleegd;
c wanneer hij het loon niet op de daarvoor bepaalde
tijd voldoet;
d wanneer hij, waar kost en inwoning overeengekomen
zijn, niet op behoorlijke wijze daarin voorziet;
e wanneer hij de werknemer wiens loon afhankelijk
van de uitkomsten van de te verrichten arbeid is vastgesteld, geen voldoende
arbeid verschaft;
f wanneer hij de werknemer wiens loon afhankelijk
van de uitkomsten van de te verrichten arbeid is vastgesteld, de bedongen hulp
niet of niet in behoorlijke mate verschaft;
g wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten
veronachtzaamt welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt;
h wanneer hij, zonder dat de aard van de arbeidsovereenkomst
dit medebrengt, de werknemer niettegenstaande diens weigering gelast arbeid
in het bedrijf van een andere werkgever te verrichten;
i wanneer de voortduring van de arbeidsovereenkomst
voor de werknemer zou zijn verbonden met ernstige gevaren voor leven, gezondheid,
zedelijkheid of goede naam, die niet duidelijk waren ten tijde van het sluiten
van de arbeidsovereenkomst;
j wanneer de werknemer door ziekte of andere
oorzaken zonder zijn toedoen buiten staat geraakt de bedongen arbeid te verrichten.
3. Bedingen waarbij aan de werknemer de beslissing
wordt overgelaten of er een dringende reden in de zin van artikel 677 lid 1
aanwezig is, zijn nietig.
Artikel 680
1. De gefixeerde schadevergoeding, bedoeld in
artikel 677 lid 4, is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgesteld loon
voor de tijd, dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren
voort te duren.
2. Is het loon van de werknemer, hetzij voor
het geheel, hetzij gedeeltelijk, niet naar tijdruimte vastgesteld, dan geldt
de maatstaf van artikel 618.
3. Elk beding waarbij ten behoeve van de werknemer
een gefixeerde schadevergoeding tot een lager bedrag wordt bedongen, is nietig.
4. Bij schriftelijke overeenkomst mag een gefixeerde
schadevergoeding tot een hoger bedrag worden vastgesteld.
5. De rechter is bevoegd de gefixeerde schadevergoeding,
zo deze hem met het oog op de omstandigheden van het geval bovenmatig voorkomt,
op een kleinere som te bepalen, doch niet op minder dan het in geld vastgesteld
loon voor de duur van de opzeggingstermijn ingevolge artikel 672, noch op minder
dan het in geld vastgesteld loon voor 3 maanden.
6. Indien de door de werknemer verschuldigde
gefixeerde schadevergoeding meer bedraagt dan het in geld vastgesteld loon voor
een maand of de door de werkgever verschuldigde gefixeerde schadevergoeding
meer bedraagt dan het in geld vastgesteld loon voor 3 maanden, kan de rechter
toestaan dat de schadevergoeding op door hem te bepalen wijze in termijnen wordt
betaald.
7. Over het bedrag van de verschuldigde gefixeerde
schadevergoeding is de wettelijke rente verschuldigd, te rekenen van de dag
waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
Artikel 680a
De rechter is bevoegd een vordering tot doorbetaling
van loon die gegrond is op de vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst
te matigen, indien toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare
gevolgen zou leiden, doch op niet minder dan het in geld vastgestelde loon voor
de duur van de opzegtermijn ingevolge artikel 672 noch op minder dan het in
geld vastgestelde loon voor drie maanden.
Artikel 681
1. Indien een van de partijen de arbeidsovereenkomst,
al of niet met inachtneming van de voor de opzegging geldende bepalingen, kennelijk
onredelijk opzegt, kan de rechter steeds aan de wederpartij een schadevergoeding
toekennen.
2. Opzegging van de arbeidsovereenkomst door
de werkgever zal onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden: a wanneer
deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende
of valse reden;
b wanneer, mede in aanmerking genomen de voor
de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden
om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig
zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging;
c wanneer deze geschiedt in verband met een verhindering
van de werknemer om de bedongen arbeid te verrichten als bedoeld in artikel
670 lid 3;
d wanneer deze geschiedt in afwijking van een
in de bedrijfstak of de onderneming krachtens wettige regeling of gebruik geldende
getalsverhouding- of anciënniteitsregeling, tenzij hiervoor zwaarwichtige
gronden aanwezig zijn;
e wanneer deze geschiedt wegens het enkele feit
dat de werknemer met een beroep op een ernstig gewetensbezwaar weigert de bedongen
arbeid te verrichten.
3. Opzegging van de arbeidsovereenkomst door
de werknemer zal onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden: a wanneer
deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende
of valse reden;
b wanneer de gevolgen van de opzegging voor de
werkgever te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werknemer bij
de opzegging.
4. Een beding waarbij aan een van de partijen
de beslissing wordt overgelaten of de arbeidsovereenkomst al of niet kennelijk
onredelijk is opgezegd, is nietig.
Artikel 682
1. De rechter kan de werkgever die schadeplichtig
is geworden volgens artikel 677 of die de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk
opzegt, ook veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen.
2. Indien de rechter een zodanige veroordeling
uitspreekt, kan hij bepalen voor of op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst
moet worden hersteld en kan hij voorzieningen treffen omtrent de rechtsgevolgen
van de onderbreking.
3. De rechter kan in het vonnis, houdende de
veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst, bepalen dat de verplichting
tot herstel vervalt door betaling van een in het vonnis vastgestelde afkoopsom.
Is in het vonnis geen afkoopsom vastgesteld, dan zal de rechter deze op verzoek
van de werkgever alsnog vaststellen. Een zodanig verzoek schorst de tenuitvoerlegging
van het vonnis, voor zover het betreft de veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst,
totdat op het verzoek is beslist, met dien verstande dat de werkgever in ieder
geval verplicht blijft gedurende de schorsing het loon te betalen.
4. De rechter stelt de hoogte van de afkoopsom
met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid vast; hij kan
toestaan dat de afkoopsom op door hem te bepalen wijze in termijnen wordt betaald.
5. Indien een afkoopsom wegens het niet naleven
van een verplichting om een arbeidsovereenkomst te herstellen op andere wijze
is vastgesteld, kan de rechter het bedrag van de verschuldigde afkoopsom op
verzoek van de meest gerede partij wijzigen in zodanig bedrag als hem met het
oog op de omstandigheden van het geval billijk zal voorkomen en kan hij toelaten
dat de afkoopsom op door hem te bepalen wijze in termijnen wordt betaald.
Artikel 683
1. Iedere rechtsvordering krachtens artikelen
677 lid 4, 681 lid 1 en 682 lid 1, verjaart na verloop van zes maanden.
2. Iedere rechtsvordering van de werknemer in
verband met de vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst krachtens
artikel 677 lid 5, verjaart na verloop van zes maanden.
Artikel 684
1. Indien de arbeidsovereenkomst is aangegaan
voor langer dan vijf jaren of voor de duur van het leven van een bepaalde persoon,
is niettemin de werknemer bevoegd, van het tijdstip waarop vijf jaren sedert
haar aanvang zijn verlopen, haar op te zeggen met inachtneming van een termijn
van zes maanden.
2. Van dit artikel kan niet ten nadele van de
werknemer worden afgeweken.
Artikel 685
1. Ieder der partijen is te allen tijde bevoegd
zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst wegens
gewichtige redenen te ontbinden. Elk beding waarbij deze bevoegdheid wordt uitgesloten
of beperkt, is nietig. De kantonrechter kan het verzoek slechts inwilligen indien
hij zich ervan heeft vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan
van een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 647, 648, 670 en 670a of enig
ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Indien het verzoekschrift
een werknemer betreft die op de dag van ontvangst van het verzoekschrift ter
griffie door ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, verklaart de rechter
de werkgever niet ontvankelijk indien bij het verzoekschrift geen reïntegratieplan
als bedoeld in artikel 71a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
is gevoegd, dat is getoetst door het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
2. Als gewichtige redenen worden beschouwd omstandigheden
die een dringende reden als bedoeld in artikel 677 lid 1 zouden hebben opgeleverd
indien de arbeidsovereenkomst deswege onverwijld opgezegd zou zijn, alsook veranderingen
in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve
dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
3. Het verzoek wordt gedaan aan de ingevolge
de artikelen 97 tot en met 99 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
bevoegde kantonrechter.
4. Het verzoekschrift vermeldt de plaats waar
de arbeid gewoonlijk wordt verricht, alsmede de naam en de woonplaats of bij
gebreke van een woonplaats in Nederland het werkelijk verblijf van de wederpartij.
5. De kantonrechter kan, indien het verzoek verknocht
is aan een zaak die tussen dezelfde personen reeds voor een andere rechter aanhangig
is, de verwijzing naar die andere rechter bevelen. De griffier zendt een afschrift
van de beschikking, alsmede het verzoekschrift en de overige stukken van het
geding ter verdere behandeling aan de rechter naar wie is verwezen.
6. De behandeling vangt niet later aan dan in
de vierde week volgende op die waarin het verzoekschrift is ingediend.
7. Indien de rechter het verzoek inwilligt, bepaalt
hij op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt.
8. Indien de rechter het verzoek inwilligt wegens
veranderingen in de omstandigheden kan hij, zo hem dat met het oog op de omstandigheden
van het geval billijk voorkomt, aan een van de partijen ten laste van de wederpartij
een vergoeding toekennen; hij kan toestaan dat de vergoeding op door hem te
bepalen wijze in termijnen wordt betaald.
9. Alvorens een ontbinding waaraan een vergoeding
verbonden wordt, uit te spreken, stelt de rechter de partijen van zijn voornemen
in kennis en stelt hij een termijn, binnen welke de verzoeker de bevoegdheid
heeft zijn verzoek in te trekken. Indien de verzoeker dat doet, zal de rechter
alleen een beslissing geven omtrent de proceskosten.
10. Lid 9 is van overeenkomstige toepassing indien
de rechter voornemens is een ontbinding uit te spreken zonder daaraan een door
de verzoeker verzochte vergoeding te verbinden.
11. Tegen een beschikking krachtens dit artikel
kan hoger beroep noch cassatie worden ingesteld.
Artikel 686
De bepalingen van deze afdeling sluiten voor
geen van beide partijen de mogelijkheid uit van ontbinding wegens een tekortkoming
in de nakoming van de overeenkomst
de WAA is op 1 juli 2000 in werking getreden (redactie wobsite)
Wet van 19 februari 2000, houdende regels inzake het recht op aanpassing van de arbeidsduur
(Wet aanpassing van de arbeidsduur)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels inzake het recht op aanpassing
van de arbeidsduur tot stand te brengen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Algemene bepaling
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. werkgever: degene die een ander krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of
publiekrechtelijke aanstelling arbeid laat verrichten;
b. werknemer: de ander, bedoeld onder a.
Recht op aanpassing van de arbeidsduur
Artikel 2
1. De werknemer kan de werkgever verzoeken om aanpassing van de uit zijn arbeidsovereenkomst of
publiekrechtelijke aanstelling voortvloeiende arbeidsduur, indien de werknemer ten minste een jaar
voorafgaand aan het beoogde tijdstip van ingang van die aanpassing in dienst is bij die werkgever.
Voor de berekening `1van de termijn van een jaar worden perioden waarin arbeid wordt verricht, die
elkaar opvolgen met een onderbreking van niet meer dan drie maanden samengeteld. De vorige volzin
is van overeenkomstige toepassing op perioden waarin voor verschillende werkgevers arbeid wordt
verricht die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkanders
opvolger te zijn.
2. Voor militaire ambtenaren wordt het recht op aanpassing van de arbeidsduur geregeld bij algemene
maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid met gebruikmaking van onbezoldigd verlof in verband met deeltijdarbeid.
3. Het verzoek om aanpassing van de arbeidsduur wordt ten minste vier maanden vóór het beoogde
tijdstip van ingang van de aanpassing schriftelijk bij de werkgever ingediend onder opgave van het
tijdstip van ingang, de omvang van de aanpassing van de arbeidsduur per week of, als de arbeidsduur
over een ander tijdvak is overeengekomen over dat tijdvak en de gewenste spreiding van de uren over
de week of het anderszins overeengekomen tijdvak. De werknemer kan ten hoogste eenmaal per twee
jaren, nadat de werkgever een verzoek om aanpassing van de arbeidsduur heeft ingewilligd of
afgewezen, opnieuw een verzoek indienen.
4. De werkgever pleegt overleg met de werknemer over diens verzoek.
5. De werkgever willigt het verzoek van de werknemer om aanpassing van de arbeidsduur in, voor
zover het betreft het tijdstip van ingang en de omvang van de aanpassing, tenzij zwaarwegende
bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.
6. De werkgever stelt de spreiding van de uren vast overeenkomstig de wensen van de werknemer. De
werkgever kan de gewenste spreiding van de uren wijzigen, indien hij daarbij een zodanig belang heeft
dat de wens van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
7. De beslissing op het verzoek om aanpassing van de arbeidsduur wordt door de werkgever schriftelijk
aan de werknemer meegedeeld. Indien de werkgever het verzoek niet inwilligt of de spreiding van de
uren vaststelt in afwijking van de wensen van de werknemer, wordt dit onder schriftelijke opgave van
de redenen meegedeeld.
8. Bij vermindering van de arbeidsduur is in ieder geval sprake van een zwaarwegend bedrijfs- of
dienstbelang, indien die vermindering leidt tot ernstige problemen:
a. voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen uren;
b. op het gebied van de veiligheid, of
c. van roostertechnische aard.
9. Bij vermeerdering van de arbeidsduur is in ieder geval sprake van een zwaarwegend bedrijfs- of
dienstbelang, indien die vermeerdering leidt tot ernstige problemen:
a. van financiële of organisatorische aard;
b. wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk, of
c. omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting daartoe ontoereikend is.
10. Indien de werkgever niet een maand voor het beoogde tijdstip van ingang van de aanpassing op het
verzoek heeft beslist, wordt de arbeidsduur aangepast overeenkomstig het verzoek van de werknemer.
11. Uitsluitend ten aanzien van vermeerdering van de arbeidsduur kan van dit artikel of een of meer
onderdelen daarvan worden afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of
namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan dan wel, indien geen collectieve arbeidsovereenkomst of
regeling van toepassing is of terzake geen bepaling bevat, indien de werkgever terzake schriftelijke
overeenstemming heeft bereikt met de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, met de
personeelsvertegenwoordiging.
12. Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van een werkgever met minder dan 10 werknemers.
Deze dient een regeling te treffen met betrekking tot het recht van de werknemers op aanpassing van de
arbeidsduur.
Beëindiging arbeidsverhouding
Artikel 3
De werkgever kan de arbeidsverhouding van een werknemer niet beëindigen wegens de omstandigheid
dat de werknemer in of buiten rechte om aanpassing van de arbeidsduur heeft verzocht.
Evaluatiebepaling
Artikel 4
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt, in overeenstemming met Onze Minister
van Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, binnen drie jaar na de
inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk.
Inwerkingtreding
Artikel 5
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Citeertitel
Artikel 6
Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanpassing arbeidsduur.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 19 februari 2000
Beatrix
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.E. Verstand-Bogaert
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Peper
De Staatssecretaris van Defensie,
H.A.L. van Hoof
Uitgegeven de eenentwintigste maart 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Staatsblad 2000 114