VUT-CAO B5 geldend tot en met 30 december 2004

Collectieve Arbeidsovereenkomst inzake vrijwillig vervroegd uittreden en uitkering krachtens de overgangsmaatregelen CAO-VUT medewerkers Openbare bibliotheken



Artikel 1

In deze CAO wordt verstaan onder:

a Stichting:

de stichting VUT-fonds Openbare Bibliotheken.

b Het Bestuur:

het bestuur van het VUT-fonds.

c Werkgever:

1 de in Nederland gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende privaatrechtelijke instellingen die een of meer voorzieningen van openbaar bibliotheekwerk als bedoeld in de Wet op het Specifiek Cultuurbeleid in stand houden.

2 de in Nederland gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende privaatrechtelijke instellingen die werkzaamheden verrichten die naar hun aard dezelfde zijn als de werkzaamheden, die verricht worden door de instellingen als genoemd onder sub 1 van dit artikel.

3 de in Nederland gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende privaatrechtelijke instellingen die geheel of nagenoeg geheel werkzaamheden verrichten ten behoeve van instellingen als onder sub 1 en/of sub 2.

d Werknemer:

degene die een arbeidsovereenkomst heeft aangegaan met een werkgever van deze CAO.

e Ex-werknemer:

degene die belanghebbende is geworden in de zin van artikel 1 sub f van deze CAO doordat hij onmiddellijk daaraan voorafgaand een arbeidsovereenkomst met een werkgever van deze CAO heeft beëindigd, dan wel degene die in verband met het gelijktijdig ingaan van Flex-TOP een arbeidsovereenkomst met een werkgever van deze CAO heeft beëindigd.

f Belanghebbende:

de werknemer aan wie het (deel)ontslag als bedoeld in artikel 4 lid 1 sub a is verleend alsmede de rechthebbende op wachtgeld die conform artikel 4 met de werknemer is gelijkgesteld.

g Regeling:

de regeling inzake vrijwillig vervroegd uittreden en uitkering krachtens de overgangsmaatregelen CAO-VUT medewerkers Openbare bibliotheken, zoals neergelegd in deze CAO.

h CAO Openbare Bibliotheken:

de Collectieve Arbeidsovereenkomst Openbare Bibliotheken.

i Ontslag:

een (deel)ontslag als bedoeld in artikel 4 van deze CAO.

j Uitkering:

de uitkering bedoeld in artikel 6 van deze CAO.

k Diensttijd:

de tijd doorgebracht als werknemer in dienst van een of meer instellingen die onder de werkingssfeer van deze CAO vallen.

Bij de berekening van de diensttijd wordt een onderbreking van twee maanden of minder niet als onderbreking aangemerkt.

l Laatstelijk genoten salaris:

1 het salaris vermeerderd met het bedrag van de vakantie-uitkering waarop belanghebbende over de maand - gerekend vanaf de dag voorafgaande aan zijn ontslag - aanspraak had of bij waarneming van zijn functie zou hebben gehad, met dien verstande dat:

a indien dit salaris geheel of gedeeltelijk uit wisselende inkomsten bestaat, ten aanzien van deze inkomsten als laatstelijk genoten salaris of als deel daarvan zal gelden het gemiddelde salaris over de laatste twaalf volle kalendermaanden aan het ontslag voorafgaand;

b als deel van het laatstelijk genoten salaris tevens zal gelden het bedrag dat over de twaalf volle kalendermaanden voorafgaande aan het ontslag gemiddeld aan toelagen als bedoeld in artikel 11 van de CAO Openbare Bibliotheken per maand aan belanghebbende is toegekend.

2 Indien in het laatstelijk genoten salaris, omschreven in het vorige lid anders dan ten gevolge van de toekenning van periodieke verhogingen wijziging zou zijn gekomen, wanneer de belanghebbende op dat salaris in dienst zou zijn gebleven, zal van de dag van inwerkingtreding van die wijziging af het aldus gewijzigde bedrag als laatstgenoten salaris gelden.

3 Indien in de loop van het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag een aanmerkelijke wijziging heeft plaatsgevonden in de omvang van de werkzaamheden, geldt in zoverre in afwijking van de vorige leden als laatstelijk genoten salaris het gemiddelde salaris over evenbedoeld jaar.

4 Onder laatstgenoten salaris wordt eveneens verstaan het salaris waarover het wachtgeld conform de regeling Wachtgeld, Bijlage D CAO Openbare Bibliotheken wordt berekend.

5 In bijzondere gevallen kan het bestuur op een daartoe strekkend verzoek van belanghebbende of de werkgever van het bepaalde in de vorige leden ten gunste van de belanghebbende afwijken.

m Pensioenfonds:

Stichting Bedrijfspensioenfonds Bibliotheekpersoneel.

n TUROB:

Tijdelijke Uittredingsregeling Openbare Bibliotheken.

o Statuten:

de Statuten van de Stichting VUT-Fonds Openbare Bibliotheken, die aan deze overeenkomst zijn gehecht en geacht worden daarvan deel uit te maken.

p Flex-TOP:

het flexibel tijdelijk ouderdomspensioen waarop aanspraak bestaat krachtens het reglement van het pensioenfonds.

q richtdatum Flex-TOP:

de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de deelnemer van het pensioenfonds de 61-jarige leeftijd bereikt.

r Flex-TOP-datum:

de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin voor de deelnemer van het pensioenfonds een Flex-TOP ingaat.

s normale werktijd:

tot 1 juli 1997: de werktijd bij een volledig dienstverband van 40 uur per week;

vanaf 1 juli 1997: de werktijd bij een volledig dienstverband van 36 uur per week.



Artikel 2

Deze CAO is met ingang van 1 januari 1991 aangegaan voor de duur van vijf jaar met een opzegtermijn van zes maanden. Zij is met ingang van 1 januari 1996 en vervolgens met ingang van 1 juli 1997 verlengd met vijf jaar, derhalve tot 1 juli 2002.

Indien voor het verstrijken van genoemde termijn geen der partijen deze CAO heeft opgezegd wordt deze met gelijke periode verlengd.





Artikel 3a

Deze CAO is van toepassing op arbeidsovereenkomsten van werknemers als bedoeld in artikel 1 lid d gesloten door werkgevers als bedoeld in artikel 1 lid c van deze CAO.





Artikel 3b

(Ex-)werknemers als bedoeld in artikel 1 leden d en e van deze CAO hebben recht op een uitkering bij vrijwillig vervroegd uittreden dan wel op een uitkering krachtens de overgangsmaatregelen onder de voorwaarden zoals neergelegd in deze CAO.





Artikel 4

1 Op de hierna in dit artikel genoemde voorwaarden heeft:

a de ex-werknemer, die is geboren vóór het jaar 1940 of die vóór het jaar 2001 een dienstverband heeft van veertig jaren en aan wie op diens verzoek ontslag is verleend, recht op een uitkering bij vrijwillig vervroegd uittreden als bedoeld in artikel 6;

b de ex-werknemer, die geboren na het jaar 1939, recht op een uitkering krachtens de overgangsmaatregelen CAO-VUT bedoeld in artikel 6a.

2 De werknemer die in verband met het ingaan van een uitkering bij vrijwillig vervroegd uittreden of de toekenning van een uitkering krachtens de overgangsmaatregelen zijn dienstverband beëindigt, dan wel, met inachtneming van de bepalingen daaromtrent in de CAO Openbare Bibliotheken, de voor hem krachtens zijn arbeidsovereenkomst geldende werktijd vermindert, kan op het eenmaal genomen besluit tot beëindiging van het dienstverband dan wel besluit tot vermindering van de werktijd nadien niet meer terugkomen.

3 De werknemer in de zin van het voorgaande lid dient op de datum van zijn verzocht (deel) ontslag 55 jaar of ouder te zijn, en direct voorafgaand aan de datum van ontslag een ononderbroken diensttijd te hebben gehad vanaf zijn 51-jarige leeftijd, waaronder begrepen de daarmee overeenkomstig het gestelde in het vijfde lid gelijkgestelde tijd.

4 Voor het vaststellen van het aantal jaren van het dienstverband, zoals bedoeld in lid 1, worden die jaren in aanmerking genomen waarin een dienstverband bestond met een openbare bibliotheek of een andere onder de werkingssfeer van de CAO Openbare Bibliotheken vallende instelling, een wetenschappelijke of speciale bibliotheek in de zin van de Wet of een overheidsbibliotheek die niet beantwoordt aan een der voorgaande omschrijvingen.

5 Met de ex-werknemer in de zin van lid 1 wordt de rechthebbende op wachtgeld in de zin van artikel 76 en bijlage D: Regeling Wachtgeld, gelijkgesteld.

Met de diensttijd als bedoeld in lid 3 wordt de tijd gelijkgesteld, gedurende welke de rechthebbende op wachtgeld aansluitend aan de diensttijd ononderbroken in het genot is geweest van een wachtgeld als bovenbedoeld tot aan de door hem verzochte datum van ingang van de uitkering bij vrijwillig vervroegd uittreden of tot aan de Flex-TOP-datum.





Artikel 5

1 De belanghebbende heeft recht op een uitkering met ingang van de dag van volledige of gedeeltelijke beëindiging van het dienstverband. (Ingeval van een TUROB-uitkering bestaat het recht op een uitkering met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarop de deelnemer aan de voorwaarden van deze CAO voldoet).

2 De uitkering dient door de belanghebbende schriftelijk door tussenkomst van zijn werkgever bij de administrateur van de Stichting te worden aangevraagd. Ingeval van voorafgaande TUROB-uitkering kan de uitkering rechtstreeks bij de administrateur van de Stichting worden aangevraagd.

3 De administrateur van de Stichting kent de uitkering namens het bestuur van de Stichting toe.

De administrateur zendt een afschrift van het besluit aan de werkgever.

Bij de ingediende aanvraag dienen de gegevens welke, op grond van door het bestuur vast te stellen richtlijnen, voor de behandeling noodzakelijk zijn, door of vanwege de belanghebbende aan de administrateur van de Stichting te worden overlegd.

4 Het recht op uitkering vervalt indien de aanvraag voor toekenning van een uitkering als bedoeld in het tweede lid door de administrateur van de Stichting niet is ontvangen binnen een termijn van twee jaar na het ontstaan van dat recht.

5 Indien de belanghebbende of de werkgever zich niet kunnen verenigen met het besluit, stellen zij binnen dertig dagen na de dagtekening van het besluit het bestuur hiervan schriftelijk in kennis.





Artikel 6

1 De uitkering bedraagt voor personen geboren in of voor het jaar 1939 80% van het laatstelijk genoten salaris, met dien verstande dat het bedrag van de uitkering te zamen met andere inkomsten uit arbeid niet lager is dan het bedrag van de AOW-uitkering van een bejaard echtpaar, welk bedrag gelijk is aan tweemaal het bruto-ouderdomspensioen en de bruto-vakantieuitkering van een gehuwde man als aangegeven in artikel 9 lid 5 sub b onderscheidenlijk artikel 29 lid 1 sub d van de Algemene Ouderdomswet (Staatsblad 1988, nr. 115).

2 Indien de uitkering bedoeld in het vorige lid wordt toegekend uit hoofde van ontslag uit een betrekking die geen volledige betrekking vormt, wordt het in dat lid bedoelde minimumbedrag naar evenredigheid verminderd.

3 Indien de uitkering bedoeld in het eerste lid wordt toegekend uit hoofde van gedeeltelijke beëindiging van het dienstverband, geldt het salaris dat behoort bij het aantal uren werktijd waarmee de arbeidsovereenkomst is verminderd, als het laatstelijk genoten salaris in de zin van de regeling.

4 Indien de werknemer overeenkomstig artikel 4 lid 2 eerder dan op 61 jarige leeftijd zijn dienstverband beëindigt of de voor hem krachtens zijn arbeidsovereenkomst geldende werktijd vermindert, wordt het in lid 1 genoemde uitkeringspercentage, afhankelijk van de op het moment van het (deel)ontslag bereikte leeftijd van de werknemer, gesteld op:

55 jaar : 28%

56 jaar : 32%

57 jaar : 36%

58 jaar : 44%

59 jaar : 52%

60 jaar : 64%

61 jaar : 80%

Bij een ingang van de uitkering op grond van dit artikellid op een datum die afwijkt van de data van de verjaardagen waarop de werknemer de leeftijden uit de tabel (heeft) bereikt, wordt het percentage berekend door lineaire interpolatie. De uitkomst van deze berekening wordt normaal afgerond tot gehelen van procenten.

5 De uitkering wordt in maandelijkse termijnen betaald.

6 Indien bij of na de ingang van de uitkering een (deeltijd)dienstverband met een werkgever wordt aangegaan, wordt deze uitkering uitbetaald met inachtneming van een kortingsfactor die gelijk is aan de breuk die geldt bij het (deeltijd)dienstverband en waarvan de teller het aantal in dat jaar uitbetaalde uren bevat en de noemer:

- voor het jaar 1997: het aantal van 1976 uren, en

- voor het jaar 1998: het aantal van 1872 uren.





Artikel 6a

Overgangsregeling voor personen geboren na het jaar 1939

1 Indien het dienstverband van een na 1939 geboren werknemer eindigt in verband met het gelijktijdig ingaan van Flex-TOP, worden de deelnemersjaren die vóór 1 januari 1997 in het pensioenfonds zijn doorgebracht, berekend naar een normale werktijd, op de Flex-TOP-datum meegeteld als deelnemersjaren Flex-TOP. Deze jaren worden aangeduid als meetellende deelnemersjaren Flex-TOP.

2 De som van de meetellende deelnemersjaren Flex-TOP en de vanaf 1 januari 1997 tot de richtdatum Flex-TOP in het pensioenfonds doorgebrachte deelnemersjaren, waarbij deze meetellende en doorgebrachte deelnemersjaren worden berekend naar een werktijd bij volledig dienstverband, bedraagt maximaal veertig. Bij overschrijding van dit maximum leidt het meerdere boven veertig jaren tot een dienovereenkomstige vermindering van het aantal meetellende jaren Flex-TOP, berekend naar een werktijd bij een volledig dienstverband.

3 Indien de som van het aantal deelnemersjaren als bedoeld in lid 2 kleiner is dan veertig, dan wordt deze som verder verhoogd met extra deelnemersjaren Flex-TOP, waarbij deze extra deelnemersjaren Flex-TOP worden berekend naar een werktijd bij volledig dienstverband. Deze extra deelnemersjaren Flex-TOP worden berekend als een percentage van het verschil tussen veertig jaren en de som van het aantal deelnemersjaren als bedoeld in lid 2. Het percentage hangt daarbij af van het geboortejaar van de deelnemer volgens onderstaande tabel.



TABEL

1940 tot en met 1946

:

100%

1947

:

90%

1948

:

80%

1949

:

70%

1950

:

60%

1951

:

50%

1952

:

40%

1953

:

30%

1954

:

20%

1955

:

10%

vanaf 1956

:

0%





4 Op de Flex-TOP-datum worden de deelnemersjaren die meetellen voor het ouderdomspensioen, zoals bedoeld in artikel 12 lid 3 van het reglement van het pensioenfonds verhoogd met een percentage van het verschil van vier jaren en het aantal jaren dat het dienstverband heeft voortgeduurd na de richtdatum Flex-TOP, waarbij deze aanvullende deelnemersjaren ouderdomspensioen worden berekend naar een werktijd van een volledig dienstverband. Het percentage hangt daarbij af van het geboortejaar van de deelnemer volgens de in het vorige lid opgenomen tabel.

5 In afwijking van het bepaalde in lid 3 worden de extra deelnemersjaren Flex-TOP niet gekort indien het dienstverband ten minste veertig jaar heeft voortgeduurd.

6 Bij een dienstverband van minder dan de normale werktijd worden de meetellende deelnemersjaren Flex-TOP, zoals bedoeld in lid 1 en de extra deelnemersjaren Flex-TOP, zoals bedoeld in de leden 3 en 5, vermenigvuldigd met een deeltijdfactor A. Deze deeltijdfactor A wordt bepaald door het gewogen gemiddelde te nemen van de breuken, zoals bedoeld in artikel 9 lid 3 van het reglement van het pensioenfonds.

Bij een dienstverband van minder dan de normale werktijd worden de aanvullende deelnemersjaren ouderdomspensioen, zoals bedoeld in lid 4, vermenigvuldigd met een deeltijdfactor B. Deze deeltijdfactor B wordt bepaald door de tijdens het dienstverband laatstgeldende breuk, zoals bedoeld in artikel 9 lid 3 van het reglement van het pensioenfonds, te bepalen.

7 Bij ingang van het Flex-TOP voor de richtdatum Flex-TOP (vervroegde ingang Flex-TOP) zijn de bepalingen van artikel 12b van het reglement van het pensioenfonds van overeenkomstige toepassing op de aanspraak die wordt verleend op grond van de meetellende en extra deelnemersjaren Flex-TOP zoals bedoeld in de leden 1, 3 en 5.

De aanspraken op ouderdomspensioen die op grond van lid 4 worden verleend in de vorm van aanvullende deelnemersjaren ouderdomspensioen worden door vervroegde ingang Flex-TOP niet gekort.

8 Indien degene die aanspraak maakt op een uitkering krachtens de overgangsregeling van dit artikel, tevens recht heeft op een uitkering bij vrijwillig vervroegd uittreden, zoals bedoeld in artikel 6, wordt de uitkering krachtens de overgangsregeling in mindering gebracht op de uitkering bij vrijwillig vervroegd uittreden.

9 Een (ex-)werknemer heeft eenmalig op de Flex-Top-datum recht op de deelnemersjaren die deze deelnemer verwerft op grond van lid 1 (meetellende deelnemersjaren), van lid 3 (extra deelnemersjaren) of van lid 4 (verhoging van deelnemersjaren) van dit artikel.





Artikel 7

Aan de belanghebbende, die niet verplicht verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet, wordt een tegemoetkoming verleend in de kosten van een particuliere ziektekostenverzekering, die gelijk is aan die voor burgerlijke rijksambtenaren, overeenkomstig artikel 23 van de CAO Openbare bibliotheken.

Indien de belanghebbende recht heeft op bedoelde tegemoetkoming, wordt deze door de Stichting voldaan.





Artikel 8

Gedurende de periode dat de belanghebbende de uitkering geniet, heeft hij ten behoeve van de gedeeltelijke of volledige voortzetting van zijn deelneming aan de pensioenregeling die op hem van toepassing is ten laste van het fonds recht op maximaal 50% van het over zijn laatstgenoten salaris verschuldigde werkgeversaandeel in de kosten van deze pensioenvoorziening. Het vorenstaande is slechts van toepassing indien de werknemer zelf eveneens ten minste de helft van het werknemersaandeel in de kosten verbonden aan deze voortzetting voor zijn rekening neemt.





Artikel 9

1 De inkomsten die de belanghebbende geniet uit hoofde van bijlage D Regeling Wachtgeld van de CAO Openbare Bibliotheken worden slechts uitbetaald voor zover deze de uitkering waarop de belanghebbende recht heeft, te boven gaan. Deze verrekening vindt plaats bij het nemen van een (deel)ontslag als bedoeld in artikel 6 lid 4, of in elk geval bij het bereiken van de 61 jarige leeftijd.

2 (vacant)

3 Ten aanzien van de belanghebbende, die na zijn ontslag uit hoofde van ziekte nog aanspraken in verband met de betrekking waaruit hij is ontslagen heeft of krijgt, wordt de uitkering tot het einde van de periode waarover die aanspraken bestaan verminderd met het bedrag daarvan.

4 Voor de toepassing van dit artikel wordt een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Staatsblad 1975, 674), de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, een invaliditeitspensioen van het pensioenfonds en een uitkering krachtens de Werkloosheidswet aangemerkt als aanspraak bedoeld in het vorige lid.

5 In bijzondere gevallen kan het bestuur op een daartoe strekkend verzoek van belanghebbende of de betrokken werkgever van het in dit artikel bepaalde ten gunste van belanghebbende afwijken.





Artikel 10

Op de Flex-TOP-datum stort de Stichting een koopsom in het Bedrijfspensioenfonds Bibliotheekpersoneel die benodigd is voor de overgangsregelingen ten behoeve van de werknemer op de Flex-TOP-datum.





Artikel 11

Indien de belanghebbende langer dan een jaar al dan niet aangevangen vóór de datum van ingang van zijn (deel)ontslag wegens ziekte verhinderd is arbeid te verrichten, kan hij door het bestuur worden verplicht zich geneeskundig te doen onderzoeken.



Artikel 12

1 Het recht op uitkering eindigt:

a met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt;

b met ingang van de dag volgende op die, waarop de belanghebbende is overleden.

2 De belanghebbende die in het genot is van AAW/WAO/WW/Invaliditeitspensioen, blijft te zamen met de AAW/WAO/WW-uitkering of het Invaliditeitspensioen, ten minste aanspraak behouden op de uitkering conform deze regeling.

3 Het recht op uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of de vermindering van de uitkering niet, niet volledig of onjuist verstrekt.





Artikel 13

1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de belanghebbende aan wie een uitkering is toegekend, wordt aan diens nagelaten betrekkingen als bedoeld in artikel 18 van het reglement van het pensioenfonds naast de uitbetaling van de uitkering tot en met de laatste dag van de maand waarin het overlijden plaatsvond, een uitkering ineens toegekend gelijk aan drie maandelijkse uitkeringsbedragen.

Indien op de uitkering een vermindering wordt toegepast krachtens artikel 9, is het bedrag dat ingevolge de voorafgaande volzin wordt toegekend, gelijk aan het drievoudige van de uitkering waarop belanghebbende over de gehele maand, voorafgaande aan die waarin zijn overlijden heeft plaatsgevonden aanspraak heeft gehad.

2 De uitkering als bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt verminderd met het bedrag van de uitkering dat aan de nagelaten betrekkingen ter zake van het overlijden van de werknemer toekomt krachtens een wettelijke voorgeschreven ziekte- of arbeidsongeschiktheidsverzekering.





Artikel 14

De uitvoering van de overeenkomst inzake vrijwillig vervroegd uittreden geschiedt door de Stichting, die onder haar verantwoordelijkheid zulks kan delegeren aan een administrateur.

De Stichting kan voor de uitvoering van deze regeling nadere voorschriften geven.





Artikel 15

In bijzondere gevallen of groepen van gevallen waarin de toepassing van deze regeling tot een naar het oordeel van het bestuur onredelijke uitkomst leidt, is het bestuur bevoegd een beslissing te nemen die met de strekking van deze regeling overeenkomt.





Artikel 16

Alle in deze regeling opgenomen bepalingen gelden niet indien de Flex-TOP-datum is gelegen na de datum waarop deze CAO eindigt.







brondocument: N0420-6.DOC