CAO Openbare Bibliotheken 2003-2004
Onderdeel A1 Algemeen gedeelte CAO
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Artikel 1 Definities
Artikel 2 Citeertitel en standaard-CAO
Artikel 3 Werkingssfeer
Artikel 4 Aard van de arbeidsovereenkomst
Artikel 5 Arbeidsovereenkomst zonder vaste werktijd
Artikel 5A Omvang loonbetaling
Artikel 6 Inhoud arbeidsovereenkomst
Artikel 7 Wettelijk geregistreerd partner en relatiepartner
Artikel 8 Vacant *
Hoofdstuk II Salariëring en vergoedingen
Artikel 9 Salaris
Artikel 10 Vergoeding overwerk
Artikel 11 Vergoeding onregelmatige dienst
Artikel 12 PC-privé-project en fietsenplan
Artikel 12A Meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden
Artikel 12B Spaarloonregeling
Artikel 13 Vergoeding waarneming hogere functie
Artikel 13A Mobiliteitstoeslag
Artikel 13B Arbeidsmarkttoeslag
Hoofdstuk III Werk- en rusttijden
Artikel 14 Werktijden
Artikel 15 Vacant *
Artikel 16 Vacant *
Artikel 16A Vormgeving 36-urige werkweek
Artikel 17 Overwerk
Artikel 18 Vacant *
Artikel 19 Vacant *
Artikel 20 Werktijdenschema
Artikel 21 Invalkrachten
Artikel 22 Verplichte rusttijd en vrije dagen
Hoofdstuk IV Vakantie en verlof
Artikel 23 Vakantierecht
Artikel 24 Tijdstip vakantie
Artikel 25 Arbeidsongeschiktheid tijdens vakantie
Artikel 26 Burgerlijk Wetboek
Artikel 27 Vakantietoeslag
Artikel 28 Verlof
Artikel 29 Openstelling op zondag
Artikel 30 Buitengewoon verlof
Artikel 31 Voorwaarden buitengewoon verlof
Hoofdstuk V Voorzieningen bij arbeidsongeschiktheid en ziekte
Artikel 32 Melding ziekte
Artikel 33 Salariëring tijdens arbeidsongeschiktheid
Artikel 34 Vacant *
Artikel 35 Vacant *
Artikel 36 Vacant *
Artikel 37 Tegemoetkoming ziektekostenverzekering
Hoofdstuk VI Voorzieningen voor vakorganisaties
Artikel 38 Faciliteiten vakorganisaties
Artikel 39 Verlof voor vakbondsactiviteiten
Artikel 40 Voorwaarden vakbondsverlof
Artikel 41 Ontslag kaderlid vakorganisatie
Artikel 41A Stg. BASOB
Hoofdstuk VII Sociaal-organisatorische regelingen
Artikel 42 Wervings- en aanstellingsbeleid
Artikel 43 Scholings- en loopbaanbeleid
Artikel 44 Ouderschapsverlof
Artikel 44A Zorgverlof
Artikel 45 Kinderopvang
Artikel 45A Vrijwilligerswerk
Artikel 46 Fusiegedragsregels
Artikel 47 Bepalingen bij reorganisaties
Artikel 48 Vacant *
Artikel 49 Functioneringsgesprekken
Artikel 50 Beoordelingsregeling
Hoofdstuk VIII Verplichtingen werknemer
Artikel 51 Vacant *
Artikel 52 Andere werkzaamheden
Artikel 53 Geheimhouding
Artikel 54 Nevenfuncties
Artikel 55 Aannemingen en leveringen
Artikel 56 Vacant *
Artikel 57 Geneeskundig onderzoek
Artikel 58 Bijscholing
Hoofdstuk IX Verplichtingen werkgever
Artikel 59 Vacant *
Artikel 60 Beschikbaarheid CAO
Artikel 61 Informatie aan de werknemer
Artikel 62 Informatie aan gerede kandidaten over vacature
Hoofdstuk X Vergoeding kosten en gratificaties
Artikel 63 Reis- en verblijfkosten
Artikel 64 Verhuiskosten/ woon-werkverkeer
Artikel 65 Jubileumgratificatie
Artikel 65A Instellingsgebonden gratificatieregeling
Artikel 66 Studiefaciliteiten
Hoofdstuk XI Medezeggenschap
Artikel 67 Instellen ondernemingsraad
Artikel 68 Bovenwettelijke bevoegdheden ondernemingsraad
Artikel 69 Werknemersvertegenwoordiging
Artikel 70 Vacant *
Hoofdstuk XII Regelingen bij conflicten
Artikel 71 Schorsing
Artikel 72 Geschillenregeling
Hoofdstuk XIII Einde dienstverband
Artikel 73 Beëindiging van het dienstverband
Artikel 74 Procedure bij gedwongen ontslag
Artikel 75 Overlijden van de werknemer
Artikel 76 Wachtgeld
Artikel 76A Eenmalige vergoeding
Artikel 77 VUT en Flex-TOP
Artikel 78 Vacant *
Hoofdstuk XIV Slotbepalingen
Artikel 79 Ontheffing
Artikel 80 Overgangsbepalingen
Artikel 81 Eindejaarsuitkering/ instellingsgebonden gratificatieregeling
Artikel 82 Duur van de CAO
Artikel 83 Jaarlijks overleg
Onderdeel A2 Bijlagen
Hoofdstuk I
Algemene bepalingen
Definities
Artikel 1
1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze CAO bepaalde wordt verstaan onder:
a wet: de Wet op het specifieke cultuurbeleid (1993, Staatsblad nr. 193) of andere voor het (openbare) bibliotheekwerk geldende wet;
b CAO: de CAO Openbare Bibliotheken;
c werkgever: de privaatrechtelijke instelling, waarop deze CAO van toepassing is;
d bestuur: het bevoegd orgaan van de onder c bedoelde instelling;
e arbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst bedoeld in BW 7: 610;
f werknemer: degene, die een arbeidsovereenkomst heeft aangegaan met een werkgever;
g werkervaringsplaats-werknemer: degene die op grond van/in het kader van/de Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW), een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht heeft gesloten met de werkgever;
h werktijd: het in de arbeidsovereenkomst vastgestelde aantal werkuren per week, waarbij inbegrepen de reis- en wachttijden die hun oorzaak vinden in de door de werkgever opgedragen werkzaamheden en de reistijd voor woon-werkverkeer voor zover de werkzaamheden op wisselende plaatsen worden verricht en voor zover deze reistijd bij begin en/of einde van het werk meer bedraagt dan een halfuur;
i BW: Burgerlijk Wetboek;
j overwerk: het werk, dat in opdracht van de werkgever wordt verricht, voor zover daarmee de werktijd wordt overschreden;
k onregelmatige dienst: het werk, dat in opdracht van de werkgever wordt verricht op andere uren dan maandag tot en met vrijdag tussen 8.00 uur en 18.00 uur;
l salaris: het maandsalaris overeenkomstig de salarisregeling;
m standplaats: de gemeente of deel van de gemeente dat de werknemer in de arbeidsovereenkomst als zodanig is aangewezen;
n wettelijk geregistreerd partner: een persoon met wie de ongehuwde werknemer een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek, Boek I, Titel 5A.
o relatiepartner: een persoon met wie de ongehuwde werknemer een affectieve relatie heeft en met wie hij - met het oogmerk duurzaam samen te leven - op hetzelfde adres woont en een gemeenschappelijke huishouding voert;
p COAOB: Centraal Overleg Arbeidsvoorwaarden Openbare Bibliotheken;
q (vacant)
r invalkracht: onder invalkracht wordt verstaan diegene, die zich beschikbaar heeft gesteld om op afroep van de werkgever op arbeidsovereenkomst te komen werken. De invalkracht is niet verplicht aan deze oproep gehoor te geven en heeft niet de garantie van een minimumwerktijd;
s uurloon: 1/156 deel van het salaris;
t VUT-CAO: Collectieve Arbeidsovereenkomst inzake vrijwillig vervroegd uittreden en uitkering krachtens de overgangsmaatregelen CAO-VUT medewerkers openbare bibliotheken;
u werknemersvertegenwoordiging: vertegenwoordiging van de werknemers in een instelling waarin in de regel ten minste tien werknemers werkzaam zijn, zoals geregeld in artikel 69, welke instelling niet verplicht is tot het instellen van een ondernemingsraad.
2 Daar waar in deze CAO ter aanduiding van een natuurlijk persoon de taalkundig mannelijke vorm is gehanteerd, dient - voor zover daarin niet reeds voorzien - tevens de taalkundig vrouwelijke vorm geacht te zijn bedoeld.
Citeertitel en standaard-CAO
Artikel 2
Deze CAO kan worden aangehaald als de CAO Openbare Bibliotheken.
Afwijking van het bepaalde in de CAO is niet toegelaten.
Werkingssfeer
Artikel 3
Deze CAO is van toepassing op:
a De in Nederland gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende privaatrechtelijke instellingen die een of meer voorzieningen van openbaar bibliotheekwerk als bedoeld in de wet in stand houden.
b De in Nederland gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende privaatrechtelijke instellingen die werkzaamheden verrichten die naar hun aard dezelfde zijn als de werkzaamheden, die verricht worden door de instellingen als genoemd onder a van dit artikel.
c De in Nederland gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende privaatrechtelijke instellingen die geheel of nagenoeg geheel werkzaamheden verrichten ten behoeve van instellingen als onder sub a en/of sub b.
Aard van de arbeidsovereenkomst
Artikel 4
1 a De arbeidsovereenkomst kan onverminderd het bepaalde in BW 7: 652, 676 worden aangegaan voor bepaalde of onbepaalde tijd.
b Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd vermeldt de reden voor de tijdelijkheid, en het tijdstip waarop of de omstandigheid waaronder deze eindigt. Indien de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt aangegaan ter vervanging, wordt de naam van de vervangen werknemer vermeld.
2 Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan worden aangegaan voor de duur van maximaal drie jaar, met dien verstande dat in die jaren het aantal opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd niet is gemaximeerd.
3 Bij onderbreking(en) van ten hoogste drie maanden tussen opeenvolgende arbeidsovereenkomsten vindt doortelling plaats ten aanzien van de vraag of de gezamenlijke maximale totaalduur van drie jaar wordt overschreden.
4 Een proeftijd kan slechts eenmaal worden overeengekomen. Indien een proeftijd wordt overeengekomen is deze voor werkgever en werknemer gelijk en wordt deze schriftelijk vastgelegd. De proeftijd bedraagt zonodig in afwijking van het gestelde in BW 7: 652 maximaal twee maanden.
Arbeidsovereenkomst zonder vaste werktijd
Artikel 5
Indien de werknemer tegen betaling werkzaamheden verricht zonder dat de gemiddelde werktijd op grond van artikel 14, of de geldende werktijdenregeling is vastgelegd, of zonder dat sprake is van overwerk als bedoeld in artikel 17 van de CAO, is het volgende van toepassing.
1 Indien de werknemer gedurende een periode van drie opeenvolgende maanden
- wekelijks arbeid heeft verricht
dan wel
- gedurende tenminste twintig uren per maand arbeid heeft verricht
is sprake van een arbeidsovereenkomst. Dit is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, tenzij op grond van het gestelde in artikel 4 sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
2 De omvang van de arbeidsduur van de in lid 1 bedoelde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bedraagt, indien de werknemer dit wenst, het gemiddelde van de omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden.
3 De werkgever kan in de individuele arbeidsovereenkomst met de werknemer als bedoeld in de aanhef van dit artikel de verplichting tot loondoorbetaling uitsluiten over de tijdruimte waarin hij van de bedongen arbeid geen gebruik heeft gemaakt, gedurende ten hoogste de eerste drie maanden van de arbeidsovereenkomst.
Omvang loonbetaling
Artikel 5 A
Indien
- een werktijd van minder dan 15 uur per week is overeengekomen en de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht niet zijn vastgelegd,
dan wel
- indien de werktijd niet of niet eenduidig is vastgelegd,
heeft de werknemer voor iedere periode van minder dan drie uur waarin hij arbeid heeft verricht, recht op het loon waarop hij aanspraak zou hebben indien hij drie uur arbeid zou hebben verricht.
Inhoud arbeidsovereenkomst
Artikel 6
1 De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan en gewijzigd. De werkgever draagt zorg dat beide partijen binnen twee weken na het sluiten of wijzigen van de overeenkomst kosteloos een door beide partijen ondertekend exemplaar ontvangen van de arbeidsovereenkomst of de wijziging daarvan, indien het een wijziging van de inhoud van de arbeidsvoorwaarden behelst.
2 a Zij bevat in ieder geval naam, vestigingsplaats en adres van de werkgever bij de indiensttreding, alsmede naam van degene(n), die statutair bevoegd is (zijn) hem ten dezen te vertegenwoordigen bij de indiensttreding;
b naam en adres van een of meer van de vestigingen, waar de werknemer te werk wordt gesteld;
c naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, woonplaats en nationaliteit van de werknemer;
d datum van indiensttreding;
e vermelding of de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde of bepaalde tijd is aangegaan, alsmede in het geval van artikel 4 derde lid, een aanduiding van de reden voor het aangaan van het dienstverband voor bepaalde tijd;
f vermelding of een proeftijd van toepassing is en de duur daarvan;
g vermelding van de standplaats;
h werktijd;
i functie (met inbegrip van eventuele functievariant), met vermelding van de plaats in de organisatie, salarisschaal, anciënni-teit bij indiensttreding en de datum van de eerstvolgende periodieke verhoging met inachtneming van het gestelde in de CAO;
j vermelding, dat deze CAO met de daarbij behorende bijlagen van toepassing is;
k aanduiding van een eventueel uitgeoefende, gehonoreerde nevenbetrekking;
k de bij de indiensttreding opgelegde verplichting of verleende ontheffing van de verplichting (meer) in of nabij de standplaats te gaan wonen;
m aantal vakantie-uren per jaar bij het aangaan van de dienstbetrekking;
n wederzijdse opzegtermijn, voor zover afwijkend van artikel 73 lid 3 van de CAO.
Wettelijk geregistreerd partner en relatiepartner.
Artikel 7
1. De bepalingen van de CAO en de daarvan onderdeel uitmakende uitvoeringsregelingen die van toepassing zijn op de gehuwde werknemer zijn van overeenkomstige toepassing op de
werknemer met een wettelijk geregistreerde partner.
2. De bepalingen van de CAO en de daarvan onderdeel uitmakende uitvoeringsregelingen die van toepassing zijn op de gehuwde werknemer zijn van overeenkomstige toepassing op de
werknemer een relatiepartner, mits is voldaan aan de overige in dit artikel gestelde voorwaarden, dit alles voor zover dat wettelijk mogelijk is.
3. a De werknemer dient hetzij bij indiensttreding, hetzij bij het ontstaan van de affectieve
relatie een door hem ondertekende schriftelijke verklaring aan de werkgever te overleggen,
waaruit blijkt dat sprake is van een affectieve relatie als bedoeld in artikel 1 sub n1 en n2 en
waaruit blijkt dat zij op hetzelfde adres wonen.
b Bij beëindiging van de affectieve relatie dient de werknemer de werkgever hiervan
schriftelijk in kennis te stellen.
- Is aan het gestelde in lid 1 en lid 2a voldaan, dan wordt de relatiepartner als gezinslid aangemerkt. Onder aan- en bloedverwanten worden in dit verband mede begrepen aan- en bloedverwanten van de relatiepartner van de werknemer.
- De aanspraken van de werknemer met de relatiepartner, voortvloeiend uit lid 1 van dit artikel, ontstaan en treden in werking vanaf het moment dat de werkgever in het bezit is van de verklaring als bedoeld in lid 2a van dit artikel.
Artikel 8 (vacant)
Hoofdstuk II
Salariëring en vergoedingen
Salaris
Artikel 9
1 Het salaris van de werknemer wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze CAO behorende bijlage A: de Salarisregeling Openbare Bibliotheken.
2 Ten minste alle wijzigingen van het salaris worden de werknemer schriftelijk in een gespecificeerde omschrijving medegedeeld. De werkgever houdt de werknemer op de hoogte van de samenstelling van zijn nettosalaris, zoals dat wordt berekend met toepassing van de wettelijke en eventueel volgens het pensioenreglement voorgeschreven inhoudingen op zijn salaris, en eventuele vergoedingen en toelagen.
3 De uitbetaling van het salaris geschiedt maandelijks vóór of op de 28e van de kalendermaand waarover de werknemer salaris geniet.
Vergoeding overwerk
Artikel 10
De vergoeding voor het verrichten van overwerk wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze CAO behorende bijlage B: de Regeling Overwerk en Overwerkvergoeding.
Vergoeding onregelmatige dienst
Artikel 11
De vergoeding van onregelmatige dienst wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze CAO behorende bijlage C: de Regeling Toelage Onregelmatige Diensten.
Regeling financiering personal computer werknemer (PC-privé-project) en fietsenplan*
Artikel 12
In het kader van een PC-privé-project of fietsenplan kan de werkgever de werknemer verzoeken een eigen bijdrage te leveren. Indien de werkgever de werknemer om een eigen bijdrage verzoekt in het kader van een PC-privé-project of fietsenplan, dient zulks te geschieden op basis van een bijdra-geregeling die in beginsel voor alle werknemers geldt, mits in overeenstemming met de fiscale- en overige wettelijke voorschriften.
Een zodanige bijdrageregeling dient één of meer van de hiernavolgende bijdragemogelijkheden te omvatten:
- een bijdrage van de werknemer door het inleveren van vrije tijd die is ontstaan door de toepassing van artikel 16 A (vormgeving 36-urige werkweek);
- de mogelijkheid voor de werknemer tot het genereren van vrije tijd als hiervoor bedoeld indien vrije tijd als hier bedoeld ontbreekt, door tijdelijk extra uren te werken om ruimte te scheppen voor het inleveren van vrije tijd t.b.v. de bijdrageregeling in het kader van het PC-privé-project of fietsenplan;
- een bijdrage van de werknemer door een (tijdelijke) verlaging van het brutoloon.
Toepassing van de bijdrageregeling is slechts mogelijk met instemming van de werknemer: de gemaakte afspraken dienen schriftelijk in een bijlage van de arbeidsovereenkomst te worden vastgelegd.
Regeling meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden
Artikel 12A
1. De werknemer kan op grond van dit artikel en de bepalingen van de Regeling Meerkeuzesysteem Arbeidsvoorwaarden in Bijlage L van de CAO een aantal arbeidsvoorwaarden tegen elkaar inwisselen. Daatoe worden arbeidsvoorwaarden benoemd, de bronnnen, onderverdeeld in zogenaamde tijdbronnen en geldbronnen, die op een bepaalde manier voor bepaalde doelen kunnen worden besteed, de zogenaamde tijddoelen en gelddoelen.
Spaarloonregeling
Artikel 12B
De werkgever stelt de werknemer in de gelegenheid deel te nemen aan een spaarloonregeling, zoals bedoeld in de Wet van 1 november 1993 betreffende winstdelings- en spaarregelingen voor werknemers (Stb. 573).
Vergoeding waarneming hogere functie
Artikel 13
1 Aan de werknemer, met wie is overeengekomen dat hij tijdelijk een hoger bezoldigde functie van een andere werknemer geheel of nagenoeg geheel waarneemt, anders dan bij verlof wegens vakantie, wordt op het tijdstip dat de waarneming ten minste dertig kalenderdagen heeft geduurd met terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop de waarneming aanving een vergoeding toegekend.
De vergoeding bestaat uit ten minste het verschil tussen zijn laatstgenoten salaris vóór de waarneming en hetgeen hij bij bevordering tot die hogere functie vanaf het laatstgenoemde tijdstip zou hebben ontvangen, waarbij de hoogte van de vergoeding ten minste het bedrag van de laatstgenoten periodieke verhoging respectievelijk vermindering van jeugdaftrek omvat, die hij in zijn functie vóór waarneming heeft genoten/ - in dienst zijnde - zou hebben genoten.
2 Bij niet-volledige waarneming kan de vergoeding op een naar verhouding lager bedrag worden gesteld dan wanneer de vervanging volledig zou zijn geweest.
3 Aan de werknemer, met wie is overeengekomen dat hij tijdelijk andere taken vervult, kan op het tijdstip dat deze andere taken ten minste dertig kalenderdagen zijn vervuld met terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop deze tijdelijke taken aanvingen een vergoeding worden toegekend.
4 De waarneming of het vervullen van tijdelijk andere taken kan ten hoogste 24 maanden duren.
Mobiliteitstoeslag
Artikel 13A
1. De werkgever kan aan de werknemer een individuele tijdelijke mobiliteitstoeslag van maximaal twee jaar toekennen.
2. De toeslag kan worden toegepast om een werknemer te stimuleren zijn medewerking te verlenen aan door de werkgever beoogde of vastgestelde maatregelen op het gebied van loopbaan, scholing, of toekomstige functievervulling binnen en/of buiten de instelling.
3. De in het vorige lid bedoelde maatregelen kunnen mogelijkerwijs voortvloeien uit een plan voor scholings- en loopbaanbeleid als bedoeld in artikel 43.
4. De toeslag bedraagt per geval in een maand maximaal 10% van het salaris van de werknemer, en kan in totaal per geval niet meer bedragen dan 10% van diens jaarsalaris in twee aaneensluitende kalenderjaren.
5. De werkgever kan de toeslag verlengen, met inachtneming van de in de vorige leden opgenomen voorwaarden.
Arbeidsmarkttoeslag
Artikel 13B
1. De werkgever kan aan de werknemer een individuele tijdelijk arbeidsmarkttoeslag toekennen in de in de volgende leden bedoelde gevallen.
2. De toeslag kan worden toegepast om een nieuwe werknemer in een ter beoordeling van de werkgever moeilijk vervulbare vacature aan te trekken.
3. De toeslag kan worden toegepast om een werknemer te behoeden voor beëindigen van zijn dienstverband, indien voorkoming hiervan, ter beoordeling van de werkgever, in het belang van de instelling gewenst is.
4. De toeslag bedraagt per geval in een maand maximaal 10% van het salaris van de (toekomstige) werknemer, en kan in totaal per geval niet meer bedragen dan 10% van diens jaarsalaris in twee aaneensluitende kalenderjaren.
5. De werkgever kan de toeslag verlengen, met inachtneming van de in de vorige leden opgenomen voorwaarden.
Hoofdstuk III
Werk- en rusttijden
Werktijden
Artikel 14
1 De werktijd bedraagt voor een werknemer met een volledig dienstverband 36 uur per week.
De werktijd bedraagt voor een werknemer met een deeltijd dienstverband het in de arbeidsovereenkomst vastgestelde aantal uren per week.
2 De werktijd mag gemiddeld worden genomen, met dien verstande dat de werkgever een overschrijding van ten hoogste een negende deel van genoemd aantal uren per week mag opdragen.
De verdere toepassing van werktijden vindt plaats op basis van het gestelde in artikel 16A.
De werkgever bepaalt de keuze in overleg met de betrokken werknemer binnen de grenzen zoals vastgesteld in artikel 16A.
3 De maximumlengte van de arbeidstijd per dienst (structureel) bedraagt 10 uur.
Artikel 15 (vacant)
Artikel 16 (vacant)
Vormgeving 36-urige werkweek
Artikel 16 A
1 De werkweek bedraagt voor een werknemer met een voltijd-dienstverband:
36 uur per week
of
gemiddeld 36 uur per week.
2 M.b.t. de vormgeving van de 36-urige werkweek zijn diverse uitvoeringsmodellen mogelijk, onder andere:
- ten hoogste (geheel of gedeeltelijke) toepassing van een 40-urige werkweek;
- een (geheel of gedeeltelijke) toepassing van collectieve roostervrije dagen;
- spaarmogelijkheden van verlof.
De ontstane vrije tijd dient in de vorm van herkenbare blokken in het werktijdenschema zoals bedoeld in artikel 20 van de CAO te worden verwerkt.
Overwerk
Artikel 17
1 a Aan de werknemer kan door de werkgever in bijzondere gevallen incidenteel overwerk worden opgedragen tot ten hoogste een negende deel van de werktijd van een werknemer met een volledig dienstverband als bedoeld in artikel 14 lid 1.
b Op verzoek van de werkgever én met instemming van de werknemer kan de in lid 1 sub a genoemde begrenzing worden overschreden.
2 De werknemer die jonger is dan achttien jaar en de werknemer die 55 jaar of ouder is, is gerechtigd overwerk te weigeren.
Artikel 18 (vacant)
Artikel 19 (vacant)
Werktijdenschema
Artikel 20
De werkgever stelt voor iedere werknemer een individueel werktijdenschema vast, na overleg met de betrokken werknemer. De werkgever houdt hierbij rekening met het gestelde in de artikelen 14, 16A, 17 en 22, alsmede met de in de instelling geldende werktijdregeling respectievelijk het daarvan deel uitmakende dienstrooster. Het door de werkgever opgestelde werktijdenschema zal behalve in geval van overmacht vier weken voor inwerkingtreding aan de werknemer worden bekendgemaakt.
Invalkrachten
Artikel 21
1 In afwijking van het bepaalde in artikel 20 stelt de werkgever ten behoeve van de invalkrachten een aantal vaste dagen per week vast waarop werkzaamheden worden verricht, afhankelijk van de arbeidsduur en uitgaande van de volgende norm:
- arbeidsduur 0 t/m 10 uur per week: max. 2 vaste dagen per week;
- arbeidsduur 11 t/m 20 uur per week: max. 3 vaste dagen per week.
De werkgever kan voor invalkrachten die dit wensen een afwijkende regeling treffen.
2 In de individuele arbeidsovereenkomst van de in lid 1 genoemde werknemers wordt vastgelegd op welke vaste dagen per week werkzaamheden worden verricht.
3 De werkgever dient het aantal uren dat door invalkrachten wordt gewerkt, gemeten over het kalenderjaar, te beperken tot 3% van het totaal aantal uren dat gevonden wordt door het in volle formatieplaatsen omgerekende aantal werknemers op jaarbasis, vacatures daaronder begrepen, te vermenigvuldigen met het aantal arbeidsuren per jaar van de werknemer met een volledig dienstverband.
Verplichte rusttijd en vrije dagen
Artikel 22
1 Tussen het einde van het werk en de aanvang van het werk de volgende dag ligt een onafgebroken rusttijd van ten minste 11 uren, welke rusttijd éénmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren.
2 De werkuren worden door de werkgever zodanig over de kalenderweek verdeeld dat de werknemer twee bij voorkeur aaneengesloten vrije dagen geniet overeenkomend met een tijdvak van ten minste 58 uur vrij van dienst, dan wel twee halve dagen en een hele dag, bij voorkeur aaneengesloten en indien de werknemer dit wenst, overeenkomend met een tijdvak van ten minste 48 uur vrij van dienst. Het besluit van de werkgever terzake komt tot stand in overleg met de werknemer.
3 Onder een vrije dag wordt verstaan een tijdvak van ten minste 24 uur vrij van dienst, naast de in het eerste lid voorgeschreven periode van tien uur. Onder een halve vrije dag wordt voor wat betreft de werktijdregeling - ook voor werknemers met minder dan 36 werkuren per week - verstaan een dag waarop niet meer dan vier uur wordt gewerkt.
4 Het werk wordt na ten hoogste vijf uur onderbroken door een rusttijd van ten minste een halfuur.
Hoofdstuk IV
Vakantie en verlof
Vakantierecht
Artikel 23
1 Aan de werknemer wordt in elk kalenderjaar vakantie met behoud van salaris verleend.
2 Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt onder het salaris mede verstaan het bedrag aan toelage onregelmatige dienst, dat in de drie kalendermaanden voorafgaande aan het aanvangstijdstip van de vakantie gemiddeld in een maand is toegekend.
3 Het vakantieverlof wordt, uitgedrukt in uren, gesteld op 173 uur per jaar.
4 Het in het derde lid genoemde vakantieverlof wordt, afhankelijk van de leeftijd die de werknemer in het betreffende kalenderjaar bereikt, verhoogd overeenkomstig de hierna volgende tabel.
Leeftijd Verhoging
45 tot en met 49 jaar 7,2 uren
50 tot en met 54 jaar 14,4 uren
55 tot en met 59 jaar 21,6 uren
60 jaar en ouder 28,8 uren
5 Het vakantieverlof van de werknemer, die in de loop van het kalenderjaar in dienst treedt of wordt ontslagen, wordt vastgesteld in evenredigheid met het aantal uren, waarop hij krachtens het derde en vierde lid aanspraak zou hebben, indien hij het gehele jaar in dienst was.
6 Het vakantieverlof van de werknemer die geen volledig dienstverband heeft, wordt bepaald in evenredigheid met het vakantieverlof waarop hij recht zou hebben bij een volledig dienstverband.
7 Voor de werknemer die in afwijking van het voor hem geldende werktijdenschema zoals bedoeld in artikel 20, geen werkzaamheden verricht doordat hij verlof geniet, geldt dat deze tijd (uitgedrukt in uren) op het verlof in mindering wordt gebracht.
8 (vacant)
Tijdstip vakantie
Artikel 24
1 Het tijdstip van de vakantie wordt door de werkgever in overleg met de werknemer vastgesteld.
2 De vakantie wordt op verzoek van de werknemer in elk geval zodanig verleend, dat gedurende een periode van ten minste drie aaneengesloten weken vakantie wordt genoten.
Arbeidsongeschiktheid tijdens vakantie
Artikel 25
Vakantieverlof dat de werknemer tengevolge van arbeidsongeschiktheid niet heeft genoten, wordt hem alsnog verleend, mits hij de werkgever onmiddellijk in kennis stelt van zijn arbeidsongeschiktheid en zijn verblijfplaats. De werkgever kan van de werknemer bewijsstukken vorderen van zijn arbeidsongeschiktheid en van de duur ervan.
Burgerlijk Wetboek
Artikel 26
Het in de artikelen 23, 24 en 25 bepaalde geldt onverminderd het bepaalde in BW 7: 634-645.
Vakantietoeslag
Artikel 27
1 De werknemer heeft recht op een vakantietoeslag voor iedere maand of ieder deel van een maand waarin hij salaris heeft genoten.
2 De vakantietoeslag bedraagt per kalendermaand 8% van het salaris dat de betrokken werknemer in die maand aan salaris heeft genoten.
3 De in het vorige lid bedoelde toeslag bedraagt bij een volledig dienstverband:
a Per 1 januari 2002 voor de werknemer van 18 jaar of ouder minimaal € 123,43 per maand.
b Per 1 januari 2003 voor de werknemer van 18 jaar of ouder minimaal € 126,-- per maand.
c Per 1 januari 2004 voor de werknemer van 18 jaar of ouder minimaal € 129,-- per maand.
d Voor de werknemer die jonger is dan 18 jaar bedraagt de vakantietoeslag ten minste per maand:
leeftijd per 1-1-2002 per 1-1-2003 per 1-1-2004
15 jr € 67,16 € 69.- € 70,-
16 jr € 77,14 € 79,- € 81,-
17 jr € 86,67 € 88,- € 90,-
4 Heeft de werknemer in een maand of een gedeelte daarvan een deeltijddienstverband, dan wordt het bedrag, bedoeld in het voorgaande lid, naar evenredigheid verminderd. Eveneens wordt dit bedrag naar evenredigheid verminderd over maanden of delen daarvan, waarin de werknemer slechts zijn gedeeltelijke salaris heeft genoten.
5 De vakantietoeslag wordt eenmaal per kalenderjaar uitbetaald over de periode van twaalf maanden, aangevangen met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar.
6 Ingeval van ontslag voor het einde van die periode geschiedt de uitbetaling over de periode gelegen tussen het einde van de laatstverstreken periode, waarover vakantietoeslag werd uitbetaald en de datum van het ontslag. Ingeval van indiensttreding na het begin van de periode waarover vakantietoeslag wordt uitbetaald, geschiedt de uitbetaling over de periode gelegen tussen de datum van indiensttreding en het einde van die periode.
7 De uitbetaling van de vakantietoeslag vindt plaats op uiterlijk 31 mei van het betreffende jaar.
Verlof
Artikel 28
1 De werknemer die door arbeidsongeschiktheid verhinderd is dienst te verrichten, heeft verlof.
2 (vacant)
3 Op zondagen, alsmede op de Nieuwjaarsdag, de Tweede Paasdag, de Vijfde Mei, de Hemelvaartsdag, de Tweede Pinksterdag, de beide kerstdagen en de dag, waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd, worden geen werkzaamheden opgedragen. In bijzondere omstandigheden met een incidenteel karakter is - in overeenstemming met de betrokken werknemer - afwijking mogelijk, wanneer het functioneren van de bibliotheek dit vereist.
Openstelling op zondag
Artikel 29
1 In afwijking van het bepaalde ten aanzien van de zondag in artikel 28 lid 3 kan de werkgever een regeling treffen voor openstelling op zondag.
2 Het voorgenomen besluit tot deze regeling behoeft de instemming van de ondernemingsraad.
3 Indien de ondernemingsraad instemming heeft gegeven tot een regeling voor openstelling op zondag kan de werkgever met individuele werknemers op basis van vrijwilligheid een afspraak maken ten aanzien van het opdragen van werkzaamheden op zondag. Deze afspraak omvat onder andere op hoeveel zondagen per jaar werkzaamheden kunnen worden opgedragen.
4 a Tenzij de werknemer specifiek wordt / is aangesteld om werkzaamheden op zondag te verrichten, is de werknemer gelet op het gestelde in lid 3 vrij om afspraken te weigeren die leiden tot het verrichten van werkzaamheden op zondag door die werknemer.
b Indien de werkgever en de werknemer bij aanstelling van de werknemer overeenkomen dat de werknemer werkzaamheden op zondag zal verrichten, dan wordt deze afspraak in de individuele arbeidsovereenkomst opgenomen. Op een gemotiveerd verzoek van de werknemer wordt deze afspraak herzien, hetgeen leidt tot een wijziging van de arbeidsovereenkomst.
c Indien de werkgever en de werknemer gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst overeenkomen dat de werknemer werkzaamheden op zondag zal verrichten dan geldt deze afspraak in principe voor onbepaalde tijd. Op gemotiveerd verzoek van de werknemer kan herziening van de afspraak plaatsvinden, waarbij een opzegtermijn van 6 maanden geldt, te rekenen vanaf het moment van indienen van dit verzoek bij de werkgever, tenzij een kortere opzegtermijn wordt overeengekomen.
Buitengewoon verlof
Artikel 30
1 Indien en voorzover de noodzaak tot werkverzuim aanwezig is wordt aan de werknemer in de hierna te noemen gevallen extra verlof van korte duur verleend met behoud van salaris (zie uitzondering onder h. m.b.t. bloed- en aanverwanten in de derde en vierde graad), tenzij dit verlof het functioneren van de instelling in gevaar brengt.
a (vacant)
b Bij verhuizing aan hen, die een eigen huishouding overbrengen anders dan in geval van overplaatsing eenmaal per drie jaar en ten hoogste twee dagen.
c1 Voor het zoeken van een woning ingeval van overplaatsing: ten hoogste twee dagen.
c2 Bij verhuizing ingeval van overplaatsing: drie dagen.
d Bij zijn ondertrouw: de hiervoor benodigde tijd.
e Bij zijn huwelijk, het opstellen van een notariële akte m.b.t. een samenlevingsrelatie, of partnerregistratie in de zin van het Burgerlijk Wetboek, Titel 5A: vier dagen.
f Tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en de tweede graad: een dag, indien dit huwelijk wordt gesloten in zijn woon- of standplaats en ten hoogste twee dagen, indien dit huwelijk wordt gesloten buiten zijn woon- of standplaats.
g Bij ernstige ziekte van de echtgenoot of echtgenote, ouders, stiefouders, schoonouders, kinderen, stief- en aangehuwde kinderen.
h Bij overlijden van bloed- of aanverwanten; vier dagen bij overlijden van de onder g bedoelde personen; twee dagen bij overlijden van bloed- of aanverwanten in de tweede graad. Bij overlijden van bloed- of aanverwanten in de derde en vierde graad: ten hoogste één dag onbetaald verlof. Is de werknemer belast met de regeling van de begrafenis en/of de nalatenschap, dan worden ten hoogste vier dagen verleend.
i Bij bevallingen van zijn echtgenote: ten hoogste vier dagen.
j Bij zijn 25-, 40- en 50-jarig dienst- of huwelijksjubileum en bij het 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksjubileum van zijn ouders, stief- of schoonouders: een dag.
k Bij zijn kerkelijke bevestiging en Eerste Heilige Communie en bij andere vergelijkbare godsdienstige en levensbeschouwelijke gebeurtenissen en bij die van zijn echtgenote, kinderen, pleeg- of stiefkinderen: een dag.
l In andere gevallen, waarin de werkgever oordeelt dat hiertoe aanleiding bestaat.
2 Aan de werknemer wordt, tenzij het functioneren van de betrokken onder de werkingssfeer van de CAO vallende instelling hierdoor in gevaar komt, extra verlof verleend met geheel of gedeeltelijk behoud van salaris voor het bijwonen van vergaderingen en zittingen van publiekrechtelijke colleges, waarin de werknemer is benoemd of verkozen, en voor het verrichten van daaruit voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van deze colleges, een en ander voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden.
Voorwaarden buitengewoon verlof
Artikel 31
1 Onder het behoud van salaris wordt voor de toepassing van de artikelen 28, 29 en 30 ook verstaan het behoud van de toelage onregelmatige diensten, die de betrokken werknemer in de drie kalendermaanden voorafgaande aan het extra verlof gemiddeld heeft ontvangen.
2 Behoudens onvoorzienbare gevallen wordt extra verlof als bedoeld in artikel 30 uiterlijk een week van tevoren aangevraagd.
Hoofdstuk V
Voorzieningen bij arbeidsongeschiktheid en ziekte
Melding ziekte
Artikel 32
Ingeval van arbeidsongeschiktheid is de werknemer, onverminderd de op hem krachtens de wettelijke verzekeringen rustende verplichtingen, tegenover de werkgever gehouden:
a De werkgever onverwijld op een door deze te bepalen wijze van zijn arbeidsongeschiktheid in kennis te stellen.
b Na zijn herstel de werkgever daarvan onverwijld in kennis te stellen en zijn werkzaamheden te hervatten.
Salariëring tijdens arbeidsongeschiktheid
Artikel 33
1 De werknemer, die wegens ziekte, zwangerschap of bevalling als bedoeld in BW 7: 629 geheel of gedeeltelijk verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, heeft zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, gedurende de kalendermaand waarin de verhindering is ontstaan en vervolgens gedurende een termijn van maximaal 18 maanden recht op doorbetaling van zijn salaris / respectievelijk een aanvulling op een in lid 2 genoemde uitkering, tot 100% van het laatstelijk genoten salaris zoals bedoeld in lid 4.
2 Aansluitend aan de periode als bedoeld in lid 1 heeft de werknemer die wegens arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verhinderd is werkzaamheden te verrichten, voor de duur van de arbeidsongeschiktheid, zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, tot maximaal 6 maanden, recht op een aanvullende uitkering tot 75% van zijn laatstelijk genoten salaris zoals bedoeld in lid 4.
3 Voor de toepassing van het in lid 1 en 2 gestelde, worden de perioden waarin de werknemer wegens de in de vorige leden genoemde redenen verhinderd was werkzaamheden te verrichten samengeteld, indien de perioden van arbeidsongeschiktheid elkaar opvolgen met een onderbreking van minder dan vier weken.
4 Onder het laatstelijk genoten salaris als bedoeld in dit artikel wordt verstaan het inkomen dat wordt afgeleid van de som van:
a het bruto maandsalaris dat de werknemer geniet op het moment dat de arbeidsongeschiktheid ontstaat (inclusief vakantietoeslag);
b de toelage onregelmatige diensten.
De hoogte van de toelage onregelmatige diensten die de werknemer geniet wordt op maandbasis gemeten over een periode van drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
5 Het laatstelijk genoten salaris wordt in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig de herziening(en), die voor de werknemer zouden hebben gegolden indien hij op dat moment in het genot van zijn (volledige) salaris was.
6 Het laatstelijk genoten salaris als bedoeld in dit artikel wordt verminderd met:
a het nettobedrag van enige geldelijke uitkering die de werknemer toekomt op grond van
- enige wettelijke voorgeschreven verzekering
of
- krachtens enige verzekering
of
- uit enig fonds
waarin deelneming is bedongen bij of voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst;
b het bedrag aan netto-inkomsten in of buiten dienstbetrekking door de werknemer genoten voor werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat hij, indien hij niet arbeidsongeschikt geweest was, de bedongen arbeid had kunnen verrichten.
7 De werknemer behoudt gedurende de in lid 1 en lid 2 van dit artikel genoemde periode recht op vakantietoeslag, onder aftrek van de vakantietoeslag toegekend
- op grond van enige bij of krachtens de wet geldende verzekering,
alsmede
- op grond van het invaliditeitspensioen ingevolge het pensioenreglement Bedrijfspensioenfonds Bibliotheekpersoneel.
8 Op grond van de wettelijke bepalingen in BW 7: 629 lid 1 en 2 heeft de werknemer de in lid 1 en 2 genoemde rechten niet:
- indien de ziekte of arbeidsongeschiktheid door zijn opzet is veroorzaakt of het gevolg is van een gebrek waarover hij in het kader van een aanstellingskeuring valse informatie heeft verstrekt en daardoor de toetsing aan de voor de functie opgestelde belastbaarheidseisen niet juist kon worden uitgevoerd;
- voor de tijd, gedurende welke door zijn toedoen de genezing belemmerd of vertraagd wordt;
- voor de tijd, gedurende welke hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke gronden de aangeboden passende arbeid niet verricht.
- voor de tijd, gedurende welke hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid, voor de werkgever of voor een door de werkgever met toestemming van de bedrijfsvereniging -waarbij deze is aangesloten- aangewezen derde, waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt, niet verricht.
9 a Het recht op salariëring tijdens arbeidsongeschiktheid als bedoeld in dit artikel vervalt, indien de aanspraak van de werknemer op een uitkering in de zin van BW 7: 629; de sociale verzekeringswetgeving of het invaliditeitspensioen ingevolge het pensioenreglement Bedrijfspensioenfonds Bibliotheekpersoneel vervalt, tenzij de oorzaak hiervan bij de werkgever ligt.
b Indien een uitkering ingevolge de WAO dan wel de AAW in één der gevallen bedoeld in lid 8 gedeeltelijk door de uitvoeringsinstelling wordt geweigerd, wordt de aanvullende uitkering naar evenredigheid verminderd.
c De werkgever is bevoegd de betaling van het in lid 1 en lid 2 van dit artikel bedoelde loon / de aanvullende uitkering op te schorten voor de tijd, gedurende welke de werknemer zich niet houdt aan de door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften omtrent het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever behoeft om het recht op loon / de aanvullende uitkering vast te stellen.
10 Ingeval de arbeidsongeschiktheid van de werknemer het gevolg is van een gebeurtenis terzake waarvan de werknemer rechten tegenover derden kan doen gelden, cedeert de werknemer -op verzoek van de werkgever- deze rechten aan de werkgever, voorzover deze rechten betrekking hebben op het in de leden 1 en 2 genoemde recht op loondoorbetaling / aanvullende uitkering.
11 De werknemer geniet ook na afloop van de in lid 1 van dit artikel genoemde termijn een aanvullende uitkering tot zijn laatstelijk genoten salaris, indien de ziekte uit hoofde waarvan hij verhinderd is zijn dienst te verrichten in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de hem opgedragen werkzaamheden of van de omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht en zij niet te wijten is aan zijn schuld of onvoorzichtigheid.
Artikel 34 (vacant)
Artikel 35 (vacant per 1 januari 1999)
Artikel 36 (vacant)
Tegemoetkoming ziektekostenverzekering
Artikel 37
Aan de werknemer, die niet verplicht verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet, wordt een tegemoetkoming verleend in de kosten van een particuliere ziektekostenverzekering, die gelijk is aan die voor burgerlijke rijksambtenaren.
Voor toepassing van deze bepaling wordt de belanghebbende in de zin van de VUT-CAO als werknemer aangemerkt.
Hoofdstuk VI
Voorzieningen voor vakorganisaties
Faciliteiten vakorganisaties
Artikel 38
Mits een verzoek daartoe binnen redelijke normen wordt gedaan, is de werkgever verplicht de volgende faciliteiten te verstrekken aan de werknemer die bestuurslid is van een van de werknemersorganisaties als bedoeld in de aanhef van de CAO en/of aan de werknemer die is aangemerkt als vertegenwoordiger van genoemde organisaties:
a Gebruik van publicatieborden, teneinde aan werknemers informatie te kunnen verstrekken over de vakorganisatie(s) en/of aankondigingen van deze vakorganisatie(s) bekend te kunnen maken.
b Gebruik van ruimten/lokalen van de instelling, ten dienste van buiten werktijd te houden bijeenkomsten van de werknemersorganisatie(s), gericht op activiteiten van de organisatie(s) ten behoeve van het werk in de instelling.
c Gebruik van de telefoon voor het leggen van contacten in het kader van het sub a en/of b vermelde.
d Leggen van schriftelijke dan wel mondelinge contacten als bedoeld in sub c met leden van hun organisatie, die werkzaam zijn in de instelling.
Verlof voor vakbondsactiviteiten
Artikel 39
1 Aan de werknemer wordt in de hierna te noemen gevallen extra verlof van korte duur verleend met behoud van salaris tenzij zulks het functioneren van de instelling in gevaar brengt:
a Voor het bijwonen van vergaderingen als bestuurslid van werknemersorganisaties als bedoeld in de aanhef van de CAO of als vertegenwoordiger van genoemde organisaties, jaarlijks ten hoogste vijftien dagen.
b Voor het deelnemen aan werkzaamheden en/of bijeenkomsten van het hoofdbestuur, het sectorbestuur of een landelijke werkgroep die zich bezighoudt met de arbeidsvoorwaarden in het bibliotheekwerk van een organisatie van werknemers als bedoeld in de aanhef van de CAO, wordt aan de werknemer die lid is van een hierboven genoemd bestuur of deel uitmaakt van een landelijke werkgroep ten hoogste 26 dagen buitengewoon verlof verleend; onder deze dagen worden eveneens begrepen:
de dagen voor het bijwonen van de door de werknemersorganisatie georganiseerde vormings- en scholingsdagen alsmede vormings- en scholingsdagen voor ondernemingsraadleden georganiseerd door werknemersorganisaties of andere instituten.
c Ten aanzien van de werknemer die tevens lid is van de ondernemingsraad wordt de tijd, besteed aan werkzaamheden in het kader van de raad op het in lid 1 b genoemde aantal dagen in mindering gebracht.
d Toekennen van extra verlof op grond van het bepaalde in dit artikel geschiedt slechts indien de werknemer vóóraf een uitnodiging voor de betreffende activiteit overlegt.
2 Onder het behoud van salaris wordt voor de toepassing van dit artikel ook verstaan het behoud van de toelage onregelmatige diensten, die de betrokken werknemer in de drie kalendermaanden voorafgaande aan het extra verlof gemiddeld heeft ontvangen.
Voorwaarden vakbondsverlof
Artikel 40
Behoudens onvoorzienbare gevallen wordt extra verlof als bedoeld in artikel 39 uiterlijk een week van tevoren aangevraagd.
Ontslag kaderlid vakorganisatie
Artikel 41
1 Indien de werkgever voornemens is om het dienstverband te beëindigen met een werknemer die bestuurslid is van een bedrijfsledengroep van een vakorganisatie is de werkgever gehouden - behalve wanneer de werknemer schriftelijk in de beëindiging toestemt of wanneer de beëindiging geschiedt door ontslag op staande voet wegens een dringende reden volgens BW 7: 677, 678, 679, dan wel wegens beëindiging van de werkzaamheden van de werkgever of van het onderdeel van de werkgever waarin de betrokkene werkzaam is - tevoren aan de Vaste Commissie van Advies inzake Arbeidsrechtelijke Geschillen, bedoeld in artikel 72, te verzoeken de uitspraak te doen of een ontslag van de werknemer gerechtvaardigd is en de werknemer uit te nodigen gezamenlijk deze uitspraak als bindend advies te beschouwen. Slechts indien de Commissie de uitspraak heeft gedaan, dat een ontslag gerechtvaardigd is, kan de werkgever na verkregen toestemming van de directeur van het Regionaal Bureau voor de Arbeidsvoorziening het dienstverband rechtsgeldig beëindigen.
Stichting Beheer Arbeidsmiddelen Sector Openbare Bibliotheken (Stg. BASOB)
Artikel 41 A
1 Partijen bepalen in onderling overleg de projecten die zij individueel of gemeenschappelijk wensen uit te voeren in het kader van de daartoe door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de Stg. BASOB ten behoeve van aan de sector openbare bibliotheken beschikbaar gestelde financiële middelen.
2 Partijen hebben de intentie om van de diensten van deze stichting zoveel mogelijk gebruik te maken in het kader van hun landelijk beleid inzake arbeidsmarkt, werkgelegenheid en opleidingen in de sector openbare bibliotheken.
Hoofdstuk VII
Sociaal-organisatorische regelingen
Wervings- en aanstellingsbeleid
Artikel 42
1 De werkgever dient in overleg met de ondernemingsraad een plan vast te stellen, voorzover hij daarover nog niet beschikt, m.b.t. de werving en selectie van nieuwe werknemers en de doorstroming naar hogere functies van zittende werknemers.
Het uitgangspunt bij werving, selectie en loopbaanontwikkeling is dat de personeelssamenstelling bij de werkgever in overeenstemming is met de samenstelling van de regionale beroepsbevolking, met name ten aanzien van het aantal werkzame allochtone werknemers en gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
Eveneens is uitgangspunt dat het aandeel van vrouwen, allochtone werknemers en gedeeltelijk arbeidsgeschikten in de bezetting van leidinggevende- en staffuncties in overeenstemming is met de totale personeelssamenstelling.
2 Zolang de werkgever niet beschikt over een plan zoals bedoeld in lid 1, of indien en zolang uit het plan blijkt dat vrouwen, allochtone werknemers en gedeeltelijk arbeidsgeschikten in de organisatie of in bepaalde functies ondervertegenwoordigd zijn, zal de werkgever (externe en interne) sollicitanten die aan de aanstellingsvereisten voldoen, voor een sollicitatiegesprek uitnodigen en bij voorkeur aanstellen.
3 De werkgever zal ter bevordering van de deelname van gedeeltelijk arbeidsgeschikten aan het arbeidsproces voorzieningen treffen gericht op het behoud, herstel of de bevordering van de arbeidsgeschiktheid van werknemers.
Scholings- en loopbaanbeleid
Artikel 43
1 De werkgever dient een plan op te stellen met betrekking tot de scholings- en loopbaanmogelijkheden van de werknemers gericht op hun huidige en toekomstige functievervulling binnen en buiten de instelling, en dit ter instemming aan de ondernemingsraad voor te leggen.
Dit plan dient in ieder geval bepalingen te bevatten omtrent de navolgende onderwerpen:
a welke (categorieën) werknemers in aanmerking komen voor een loopbaangesprek;
b de wijze waarop met instemming van de werkgever een door de werknemer gekozen deskundige kan worden ingeschakeld ten behoeve van het loopbaangesprek;
c de wijze van facilitering (tijd en kosten);
d welke mogelijkheden door de werkgever worden geboden ter bevordering van doorstroming naar hogere functies.
Ouderschapsverlof
Artikel 44
1 Ten aanzien van het recht op ouderschapsverlof is het bepaalde in BW 7: 644 van toepassing met inachtneming van het hierna gestelde in lid 2.
2 Over de uren waarop de werknemer volgens BW 7: 644 lid 3 ouderschapsverlof is verleend vindt 25% salarisdoorbetaling plaats.
Zorgverlof
Artikel 44 A
1 a De werknemer die zorg draagt voor een of meer personen als hierna bedoeld onder b. heeft recht op gedeeltelijk betaald verlof overeenkomstig het bepaalde in lid 2 t/m 7 bij ernstige ziekte van een of meer personen als hierna bedoeld onder b., indien uit een schriftelijke door de werknemer aan de werkgever te overleggen verklaring van de behandelend arts blijkt dat thuisverzorging noodzakelijk is.
b De personen voor wier verzorging het verlof kan worden verleend zijn: de echtgenoot, echtgenote, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen of pleeg- of aangehuwd kinderen.
2 Het verlof wordt uitsluitend verleend aan de werknemer wiens dienstbetrekking tenminste een jaar heeft geduurd.
3 a Het maximum aantal uren van het verlof wordt bepaald door de gemiddelde werktijd per week van de betreffende werknemer te vermenigvuldigen met 13.
b Over de opgenomen verlofuren wordt 25% van het salaris doorbetaald.
c Het verlof wordt per week opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 6 maanden en bedraagt ten hoogste de helft van de werktijd per week.
d In afwijking van het gestelde onder c. kan de werknemer de werkgever verzoeken om verlof voor een langere periode dan 6 maanden, onderscheidenlijk om meer uren verlof per week dan de helft van de arbeidsduur per week. De werkgever stemt in met het verzoek tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
4 De werkgever is verplicht in te stemmen met een verzoek van de werknemer het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige belangen van de organisatie zich hiertegen verzetten.
De werkgever behoeft aan het verzoek niet met ingang van een vroeger tijdstip gevolg te geven dan één maand na het verzoek.
5 Indien de werknemer zijn verlof tussentijds afbreekt, kan hij dit niet later alsnog voortzetten. Bij het afzien van het verlof vóór de ingang ervan, op grond van een onvoorziene omstandigheid als bedoeld in lid 4, blijft het recht op verlof wél behouden.
6 Bij ziekte tijdens het verlof vindt geen opschorting van het verlof plaats.
7 De werkgever draagt, met gebruikmaking van de uit het verlof van de desbetreffende werknemer vrijkomende financiële middelen, zoveel mogelijk zorg voor vervanging van de betrokken werknemer gedurende de verlofperiode.
Kinderopvang
Artikel 45
1 De werkgever bevordert dat voor de werknemers die zulks wensen kinderopvang beschikbaar is.
2 In het kader van het bepaalde in lid 1 wordt door de werkgever, in overleg met de ondernemingsraad dan wel de werknemersvertegenwoordiging, geïnventariseerd of en zo ja in hoeverre aan de werknemers kinderopvangmogelijkheden ter beschikking kunnen worden gesteld, waarbij onder meer gedacht kan worden aan:
- realiseren van een kinderdagverblijf verbonden aan de openbare bibliotheek;
- huren van kindplaatsen in een extern kinderdagverblijf.
Vrijwilligerswerk
Artikel 45 A
1 In een organisatie die valt onder de werkingssfeer van de CAO Openbare Bibliotheken zullen geen werkzaamheden die onderdeel uitmaken van de in de Salarisregeling van de CAO Openbare Bibliotheken gereguleerde functies, welke thans door een werknemer met een arbeidsovereenkomst worden uitgevoerd, aan vrijwilligers worden overgedragen.
2 In organisaties die vallen onder de werkingssfeer van de CAO Openbare Bibliotheken én waar thans werkzaamheden die behoren tot de reguliere functies uit de CAO worden uitgevoerd door vrijwilligers, zal de werkgever periodiek met de ondernemingsraad overleggen over de actuele stand van zaken en de wijze waarop kan worden bevorderd dat bedoelde werkzaamheden worden uitgevoerd door werknemers die op arbeidsovereenkomst werkzaam zijn.
3 Organisaties die vallen onder de werkingssfeer van de CAO Openbare Bibliotheken bevorderen dat met name de kernfuncties in
bibliotheken, te weten de bibliotheektechnische en de gemengde administratieve / bibliotheektechnische functies, slechts zullen worden vervuld door betaalde, professionele krachten. Bedoelde organisaties kunnen hiertoe een beroep doen op de Stg. BASOB die via een BASOB-regeling financiële middelen beschikbaar kan stellen voor het creëren van betaalde arbeidsplaatsen van door vrijwilligers uitgevoerde kernfuncties in bibliotheken en door de aanstelling van arbeidsgehandicapten voor deze functies al of niet met financiële steun conform de Wet REA, zulks onder voorbehoud van goedkeuring door de BASOB-subsidiënt, te weten de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
Fusiegedragsregels
Artikel 46
1 a In het kader van dit artikel wordt met fusie gelijkgesteld elke vorm van overdracht van zeggenschap over een (deel van een) instelling aan een andere rechtspersoon.
b Deze fusiegedragsregels worden in gelijke geest toegepast als er sprake is van een afsplitsing van een deel van de instelling.
Met afsplitsing wordt bedoeld dat een deel van de instelling de werkzaamheden voortzet in de vorm van een nieuwe of andere rechtspersoon.
2 a Indien een werkgever plannen ontwikkelt om over te gaan tot een fusie dient hij dit te melden aan de werknemersorganisaties, partij bij deze CAO.
b Hij dient daarbij melding te maken van:
- de rechtsvorm van zijn instelling;
- de aard en de vestigingsplaats van zijn instelling;
- de omvang van het personeelsbestand;
- de motieven van zijn streven naar een fusie;
- de aard en vestigingsplaats van de instellingen waarmee hij contacten heeft gelegd of van plan is te gaan leggen omtrent een fusie.
c De werkgever voert desgevraagd met de werknemersorganisaties overleg over zijn fusieplannen en verstrekt daaromtrent desgevraagd nadere informatie.
d De werkgever houdt de werknemersorganisaties voortdurend op de hoogte van de ontwikkeling van de contacten, welke hij ter zake van de voorgenomen fusie met de werkgevers heeft gelegd.
3 De leden b en c van het vorige lid zijn eveneens van toepassing op werkgevers, die gepolst/benaderd zijn over het aangaan van een fusie en die van plan zijn besprekingen daarover voort te zetten.
4 a Zodra duidelijk is, welke werkgevers de potentiële fusiepartners zijn, wordt een fusieoverlegorgaan ingesteld bestaande uit vertegenwoordigers van deze werkgevers en van de werknemersorganisatie.
Zodra de zeggenschap over de fuserende instellingen geheel of gedeeltelijk is overgegaan aan een nieuwe rechtspersoon, dient deze rechtspersoon in het fusieoverlegorgaan vertegenwoordigd te zijn.
b Alvorens een definitief besluit over het aangaan van een fusie wordt genomen, moet in dit orgaan het overleg afgerond zijn over:
- de rechtsvorm (met name indien een B3- of een overheidsinstelling bij de fusie betrokken is);
- de werkgelegenheid, de arbeidsomstandigheden en de personeelsopbouw;
- de samenstelling van het bestuur en de daarmee samenhangende personele consequenties;
- de rechtspositieregeling van de nieuwe rechtspersoon en regels met betrekking tot de rechtspositie gedurende de over-gangssituatie.
c Uitgangspunt bij dit overleg is, dat er geen achteruitgang in de rechtspositie van het zittend personeel mag plaatsvinden, dat geen arbeidsplaatsen verloren mogen gaan en dat geen gedwongen ontslagen mogen plaatsvinden.
d In het overlegorgaan worden afspraken gemaakt over het tijdstip waarop de betrokken ondernemingsraden het krachtens de WOR vereiste overleg zal worden gevoerd alsmede over het tijdstip en de wijze waarop het personeel zal worden ingelicht.
5 a Wanneer de besprekingen in het in 4a bedoelde overlegorgaan over de in 4b genoemde onderwerpen zijn afgerond wordt/worden het gezamenlijke standpunt dan wel de verschillende standpunten over de in 4b genoemde onderwerpen schriftelijk vastgelegd en meegezonden naar het in de WOR voorgeschreven overleg, waar de verdere totstandkoming van de feitelijke fusie geregeld wordt.
b Zolang de oude rechtspersonen bestaan, dienen de op grond van artikel 23 WOR bestaande overlegvergaderingen gezamenlijk te vergaderen.
c Zodra de nieuwe rechtspersoon bestaat, dient op de kortst mogelijke termijn op grond van de WOR een vertegenwoordiging van alle in de door de nieuwe rechtspersoon in stand gehouden onderneming(en) werkzame personen te worden ingesteld. Zolang dat niet gebeurd is voeren de gezamenlijke bestaande ondernemingsraden als zodanig het overleg met de vertegenwoordiger van de nieuwe rechtspersoon.
6 a Het overlegorgaan, genoemd in 4a, ziet toe op naleving van de in dat orgaan gemaakte afspraken en wordt daartoe voortdurend op de hoogte gehouden van de voortgang van het onder 5a genoemde overleg.
b Als de gang van zaken bij de totstandkoming van de feitelijke fusie daar aanleiding toe geeft, kan het overlegorgaan zijn besprekingen hervatten om tot wijziging dan wel aanvulling te komen van de afspraken over de bij punt 4b genoemde onderwerpen. Het hervatten van de besprekingen vindt plaats op verzoek van de werknemersorganisaties of op verzoek van één der betrokken werkgevers.
c Het overlegorgaan kan slechts worden opgeheven nadat ter zake tussen de in dit orgaan vertegenwoordigde instellingen overeenstemming is bereikt.
Bepalingen bij reorganisaties
Artikel 47
1 Indien de werkgever overgaat tot een reorganisatie van (een deel van) de instelling die een aanmerkelijke wijziging in de arbeidssituatie van een of meer werknemers tot gevolg heeft, dient hij in een ontwerp reorganisatieplan ten minste aan te geven:
- welke functies als gevolg van de reorganisatie kwalitatief en kwantitatief wijziging zullen ondergaan;
- op welke wijze (tijdsbestek, fasen) de reorganisatie zal worden geëffectueerd.
2 a Indien en voor zover op (onderdelen van) het in lid 1 bedoelde reorganisatieplan het bepaalde in artikel 25 lid 1 sub c en d WOR niet van toepassing is, dient de werkgever de ondernemingsraad in de gelegenheid te stellen op voet van het gestelde in de navolgende bepalingen advies uit te brengen met betrekking tot (de betreffende onderdelen van) het reorganisatieplan.
b Het advies moet op een zodanig tijdstip worden gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de definitieve vaststelling van het reorganisatieplan.
3 Het advies wordt schriftelijk uitgebracht binnen vijftien werkdagen na het tijdstip waarop het advies is gevraagd.
4 Binnen vijftien werkdagen nadat het advies is uitgebracht wordt daaromtrent ten minste eenmaal overleg gevoerd in een overlegvergadering.
5 Ten aanzien van de onderhavige adviesprocedure zijn de bepalingen van de WOR niet van toepassing, zulks met uitzondering van het bepaalde in artikel 36 lid 2, 3 en 4 WOR.
6 Nadat het overleg als bedoeld in lid 4 is gevoerd, stelt de werkgever het reorganisatieplan definitief vast en brengt dit besluit schriftelijk ter kennis van de ondernemingsraad. Bij de vaststelling van het reorganisatieplan worden door de werkgever ook eventuele nadere besluiten inzake de uitvoering medegedeeld.
7 Na de effectuering van het reorganisatieplan stelt de werkgever de ondernemingsraad schriftelijk in kennis van:
- het nieuwe organisatieschema;
- een kwalitatief en kwantitatief overzicht van de formatieplaatsen die - in vergelijking met het oude organisatieschema - zijn komen te vervallen.
8 Waar in dit artikel sprake is van de ondernemingsraad, gelden bij het ontbreken daarvan dezelfde bepalingen voor een werknemersvertegenwoordiging.
Artikel 48 (vacant)
Functioneringsgesprekken
Artikel 49
1. De werkgever en iedere werknemer voeren jaarlijks éénmaal een gestructureerd gesprek, met als onderwerp de planning en de voortgang van de individuele ontwikkeling van de werknemer.
2. De wensen die de werkgever heeft vanuit zijn visie en missie ten aanzien van de ontwikkeling van de functie van werknemer en het actuele functioneren van de werknemer staat in dit gesprek centraal. Daarnaast hebben de gesprekken de functie de werkgever informatie te bieden over het eigen functioneren en het functioneren van zijn organisatie.
3. Het gesprek heeft in verband met het voorgaande het karakter van tweerichtingsverkeer, hetgeen betekent dat informatie wordt uitgewisseld en waar mogelijk overeenstemming wordt bereikt.
4. Acties en doelen met betrekking tot het functioneren worden in het gesprek vastgesteld en voor een vastgestelde periode gepland, waarbij een wederzijdse inspanning wordt afgesproken om de doelen te bereiken.
5. De werkgever legt de gevolgde procedures (gespreksduur, agendapunten, werkwijzen van doelen) schriftelijk vast en maat deze bekend aan alle werknemers.
6. Het resultaat van het gesprek, met name de gemaakte afspraken, opdrachten en wederzijdse inspanningsverplichtingen bedoeld in de leden 3 en 4, wordt neergelegd in een door werkgever en werknemer te ondertekenen gespreksformulier, dat wordt gearchiveerd in het personeelsdossier van de betreffende werknemer.
Beoordelingsregeling
Artikel 50
Indien de werkgever met instemming van de OR of werknemersvertegenwoordiging besluit tot het vaststellen of wijzigen van een beoordelingsregeling, dient daarbij te worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
1. De regeling geldt voor alle werknemers;
2. de regeling is schriftelijk neergelegd en is voorzien van een schriftelijke heldere toelichting welke beide aan alle werknemers zijn bekendgemaakt;
3. de regeling bevat de mogelijkheid van intern bezwaar tegen een door de werkgever in eerste aanleg vastgestelde beoordeling.
Hoofdstuk VIII
Verplichtingen werknemer
Artikel 51 (vacant)
Andere werkzaamheden
Artikel 52
Indien het door de werkgever nodig wordt geacht kan de werkgever de werknemer na overleg verplichten om tijdelijk andere passende werkzaamheden te verrichten, zij het binnen redelijke grenzen en voor zover zulks direct of indirect voortvloeit uit het functioneren van de bibliotheek dan wel voor zover bijzondere omstandigheden dit vorderen.
Geheimhouding
Artikel 53
De werknemer is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in zijn functie ter kennis is gekomen, voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt of hem uitdrukkelijk is opgelegd.
Deze verplichting bestaat niet tegenover hen, aan wie de werknemer ondergeschikt is, noch in zover hij van werkgeverszijde van de verplichtingen is ontheven.
Nevenfuncties
Artikel 54
De werknemer is gehouden de werkgever schriftelijk toestemming te vragen om een gehonoreerde nevenfunctie te aanvaarden, dan wel de uitoefening van een eigen bedrijf ter hand te nemen.
Dit verzoek geldt als ingewilligd indien de werkgever niet - na de werknemer gehoord te hebben - binnen één maand na ontvangst van het verzoek schriftelijk en gemotiveerd heeft verklaard, dat hij de nevenfunctie schadelijk acht voor de vervulling van de functie in zijn dienst.
Aannemingen en leveringen
Artikel 55
De werknemer is verplicht zich te onthouden van het rechtstreeks of via tussenpersonen deelnemen aan ten behoeve van de werkgever uit te voeren aannemingen of leveringen en mag niet rechtstreeks of via tussenpersonen geschenken, beloningen of provisie aannemen dan wel vorderen van personen, met wie hij uit hoofde van zijn functie in aanraking komt.
Artikel 56 (vacant)
Geneeskundig onderzoek
Artikel 57
1 Indien de werkgever ertoe overgaat een in dienst te nemen of in dienst zijnde werknemer medisch te keuren, heeft de gekeurde het recht binnen veertien dagen na de vaststelling van de uitslag van de keuring een herkeuring aan te vragen.
2 Het verzoek om herkeuring schorst de werking van de uitslag van de keuring.
3 De herkeuringsgeneeskundige wordt door de werkgever aangewezen en zal een andere geneeskundige zijn dan de geneeskundige die de keuring als bedoeld in het eerste lid heeft verricht. Herkeuring is slechts éénmaal mogelijk.
4 De kosten van de medische keuring en herkeuring komen ten laste van de werkgever. Onder kosten worden tevens de noodzakelijk gemaakte reis- en verblijfkosten verstaan, in overeenstemming met het gestelde in de artikelen 63, 64 en Bijlage J van de CAO.
Bijscholing
Artikel 58
1 De werknemer is verplicht de bijscholingsactiviteiten te volgen die voor de uitoefening van de functie noodzakelijk worden geacht en die als zodanig na overleg tussen werkgever en werknemer worden aangewezen.
2 Deze bijscholingsactiviteiten worden beschouwd als opgedragen werkzaamheden en mitsdien komen de eraan verbonden kosten voor rekening van de werkgever.
3 Het volgen van deze bijscholingsactiviteiten kan in beginsel niet leiden tot overwerk.
Hoofdstuk IX
Verplichtingen werkgever
Artikel 59 (vacant)
Beschikbaarheid CAO
Artikel 60
De werkgever is verplicht een exemplaar van deze CAO en de wijzigingen daarop in alle vestigingen ter vrije inzage van de werknemers te hebben en op verzoek aan de werknemer daarvan een exemplaar te verstrekken.
Informatie aan de werknemer
Artikel 61
1 De werkgever is verplicht in alle vestigingen ter vrije inzage van de werknemers te hebben: een exemplaar van
a het op de werknemer van toepassing zijnde pensioenreglement,
b de eventueel daarnaast op de werknemer van toepassing zijnde regelingen en instructies, welke hij bij het verrichten van zijn werkzaamheden moet naleven,
c de statuten en het huishoudelijk reglement van de werkgever.
Informatie aan gerede kandidaten over vacature
Artikel 62
De werkgever is verplicht de in de artikelen 60 en 61 bedoelde informatie ter vrije inzage van de gerede kandida(a)t(en) voor de vervulling van een vacature te hebben.
Hoofdstuk X
Vergoeding kosten en gratificaties
Reis- en verblijfkosten
Artikel 63
De werknemer heeft recht op vergoeding van de door hem in verband met dienstreizen gemaakte noodzakelijke reis- of verblijfkosten op de voet van de bepalingen die ter zake worden gehanteerd door de bekostigende overheid.
Verhuiskosten/woon-werkverkeer
Artikel 64
De werknemer heeft recht op vergoeding van verhuiskosten, alsmede op een tegemoetkoming woon-werkverkeer overeenkomstig de bij deze CAO behorende bijlagen I en J: de Regeling Vergoeding Verhuiskosten en de Regeling Tegemoetkoming Woon-Werkverkeer.
Jubileumgratificatie
Artikel 65
1 Aan de werknemer wordt een gratificatie wegens 25-jarig dienstjubileum toegekend ter hoogte van de helft van zijn maandsalaris en bij zijn veertig- en vijftigjarig dienstjubileum ter hoogte van zijn gehele maandsalaris.
2 Onder het maandsalaris wordt voor de toepassing van dit artikel mede begrepen de vakantietoeslag over een maand en het bedrag, dat gemiddeld per maand aan toelage onregelmatige diensten is genoten, gemeten in de periode van drie maanden voorafgaande aan het jubileum.
3 Voor de bepaling van het aantal jaren m.b.t. de toekenning van de jubileumgratificatie, tellen
- de jaren in dienstverband doorgebracht bij een werkgever onder de werkingssfeer van de CAO;
alsmede
- de diensttijd doorgebracht bij diens rechtsvoorgangers en rechtsopvolgers.
Instellingsgebonden gratificatieregeling
Artikel 65 A
1 a De werkgever kan met instemming van de ondernemingsraad, dan wel de werknemersvertegenwoordiging ex artikel 69 CAO,
overeenkomen (een deel van) de structurele eindejaarsuitkering ex artikel 81 CAO te bestemmen ten behoeve van (de uitbreiding van) een instellingsgebonden gratificatieregeling.
b De vereiste instemming als bedoeld onder a heeft zowel betrekking op:
- het (voorgenomen) besluit van de werkgever (een deel van) de structurele eindejaarsuitkering ex artikel 81 CAO ten behoeve van een instellingsgebonden gratificatieregeling te bestemmen,
als ook op
- de inhoud van de instellingsgebonden gratificatieregeling.
2 De werkgever zal uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar de ondernemingsraad, dan wel de werknemersvertegenwoordiging ex artikel 69 CAO, vertrouwelijk inzicht geven in de omvang en de (volledige) besteding van de ten behoeve van de instellingsgebonden gratificatieregeling bestemde middelen.
Studiefaciliteiten
Artikel 66
1 Aan de werknemer, die een opleiding volgt welke naar het oordeel van de werkgever in het belang van het werk en/of de werksoort is en voortvloeit uit zijn functie en/of te verwachten functie(s) binnen de instelling, kan een tegemoetkoming in de studiekosten worden toegekend en buitengewoon verlof worden verleend (volgens bijlage E van de CAO).
Hoofdstuk XI
Medezeggenschap
Instellen ondernemingsraad
Artikel 67
De werkgever die een instelling instandhoudt waarin in de regel ten minste 35 werknemers werkzaam zijn, is verplicht een ondernemingsraad in te stellen.
Bovenwettelijke bevoegdheden ondernemingsraad
Artikel 68
1 De werkgever is verplicht met de ondernemingsraad of bij het ontbreken daarvan met een gekozen vertegenwoordiging van de werknemers in overleg te treden over voorgenomen wijzigingen van de statuten of het huishoudelijk reglement van de werkgever.
2 a Wanneer de vacature van directeur moet worden vervuld, stelt het bestuur de ondernemingsraad of bij het ontbreken daarvan een vertegenwoordiging van het personeel in de gelegenheid een gesprek te voeren met de gerede kandida(a)t(en) voor de vervulling van deze vacature.
b Het oordeel van de ondernemingsraad, dan wel van de personeelsvertegenwoordiging over deze kandida(a)t(en) zal voor de standpuntbepaling van zwaarwegende invloed zijn.
c Indien het bestuur besluit niet overeenkomstig dit oordeel te handelen, dient het dit gemotiveerd aan de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging mee te delen.
3 Alle vergaderstukken van het bestuur, met uitzondering van die stukken die betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer, worden te zelfde tijd aan de ondernemingsraad of bij het ontbreken daarvan aan de werknemersvertegenwoordiging beschikbaar gesteld.
4 De begroting en het beleidsplan van de werkgever worden niet vastgesteld dan nadat hierover met de ondernemingsraad of bij het ontbreken daarvan, met de werknemersvertegenwoordiging, overleg heeft plaatsgevonden.
5 De werkgever verstrekt desgevraagd aan de ondernemingsraad - of het bij het ontbreken daarvan - aan de werknemersvertegenwoordiging een overzicht van het verrichte overwerk.
6 Indien de werkgever besluit tot het groepsgewijze werven van vrijwilligers ten behoeve van de instelling, dient hij een regeling betreffende de werving van vrijwilligers ter advies als bedoeld in artikel 25 WOR aan de ondernemingsraad, dan wel bij het ontbreken daarvan aan de werknemersvertegenwoordiging voor te leggen.
7 De werkgever geeft desgevraagd jaarlijks aan de ondernemingsraad een overzicht van de arbeidsplaatsen in het kader van de Regeling In- en Doorstroombanen voor Langdurig Werklozen.
Werknemersvertegenwoordiging
Artikel 69
1 De werkgever die een instelling in stand houdt waarin in de regel ten minste tien werknemers, maar minder dan 35 werknemers werkzaam zijn, is verplicht een werknemersvertegenwoordiging in te stellen. Deze werknemersvertegenwoordiging is de personeelsvertegenwoordiging zoals bedoeld in artikel 35C WOR.
2 De samenstelling, wijze van instelling en bevoegdheden van de werknemersvertegenwoordiging worden geregeld in de Regeling Medezeggenschap Werknemersvertegenwoordiging Bijlage K van deze CAO.
3 De in lid 1 bedoelde werkgever dient van de instelling van de werknemersvertegenwoordiging schriftelijk mededeling te doen aan de Bedrijfscommissie voor de Welzijnssector, onder vermelding van de samenstelling van deze vertegenwoordiging.
4 Daar waar in deze CAO de ondernemingsraad wordt genoemd is het bepaalde, tenzij in de desbetreffende bepaling anders wordt vermeld, van overeenkomstige toepassing op de werknemersvertegenwoordiging.
Artikel 70 (vacant)
Hoofdstuk XII
Regelingen bij conflicten
Schorsing
Artikel 71
1 Indien de werkgever een ernstige grond heeft om te vermoeden, dat een dringende reden in de zin van BW 7: 678 aanwezig is om een werknemer op staande voet te ontslaan en schorsing naar het oordeel van de werkgever in het belang van het werk dringend wordt gevorderd, kan hij de werknemer voor ten hoogste twee weken in zijn betrekking schorsen. Deze termijn kan ten hoogste eenmaal met veertien dagen worden verlengd.
2 Alvorens tot schorsing over te gaan in het geval bedoeld in het eerste lid dient de werkgever de werknemer hierover te horen, althans hem hiertoe behoorlijk de gelegenheid te geven. De werknemer is daarbij bevoegd zich door een raadsman te laten bijstaan. De werkgever is verplicht een besluit tot schorsing of verlenging daarvan terstond schriftelijk aan de werknemer mede te delen, met vermelding van de datum van ingang en duur der schorsing, de omstandigheden die tot de schorsing aanleiding hebben gegeven en de motivering van de schorsing.
3 Een schorsing geschiedt met behoud van salaris.
4 Volgt op de schorsing geen ontslag op staande voet, dan dient de werknemer door de werkgever te worden gerehabiliteerd onder schriftelijke bevestiging of mededeling aan de werknemer.
5 Indien de werkgever zich niet aan het in het vorige lid gestelde houdt, levert dit voor de werknemer een reden op voor onmiddellijke beëindiging van het dienstverband als bedoeld in BW 7: 679.
Geschillenregeling
Artikel 72
1 Er is een Vaste Commissie van Advies inzake Arbeidsrechtelijke Geschillen, die op verzoek van werkgever of werknemer, die ten minste drie maanden lid is van een der partijen bij deze CAO, kennis neemt van elk geschil tussen werkgever en werknemer dat betrekking heeft op de tussen hen bestaande of bestaan hebbende arbeidsverhoudingen.
2 Indien het geschil een ontslagprocedure betreft waarvoor een ontslagvergunning van de Centrale organisatie voor werk en inkomen (CWI) is vereist en door hem nog niet is overgegaan tot afgifte van een ontslagvergunning is de partij, door wie aan de CWI een ontslagvergunning is aangevraagd, verplicht direct na bevestiging van de ontvangst van het verzoekschrift door het secretariaat van de Vaste Commissie van Advies inzake Arbeidsrechtelijke Geschillen zijn verzoek aan de CWI voor een ontslagvergunning in te trekken in afwachting van de uitspraak van de eerder genoemde Commissie.
3 De werkgever of de werknemer die zich tot de Commissie van Geschillen heeft gewend wordt niet-ontvankelijk verklaard indien:
a het geschil een ontslagprocedure betreft waarvoor een vergunning van de directeur van de CWI is vereist en ten tijde van de ontvangst van het verzoekschrift door het secretariaat van de Commissie ten minste zes weken zijn verlopen na het tijdstip waarop de werknemer door de CWI in kennis is gesteld van de ontslagaanvrage door de werkgever;
b het geschil een ontslagprocedure betreft waarvoor een ontslagvergunning van de directeur van de CWI is vereist en deze ontslagvergunning reeds is afgegeven of geweigerd door de directeur van de CWI op het tijdstip waarop het verzoekschrift door het secretariaat van de Commissie is ontvangen;
c het geschil, voordat het is aangemeld bij de Commissie van Geschillen, bij de rechter aanhangig is gemaakt;
d ten tijde van indiening van het verzoekschrift het lidmaatschap van een der contractpartijen nog geen drie maanden bestaat.
e het geschil voortvloeit uit de toepassing van een beoordelingsregeling ex artikel 50 van de CAO én de verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van een (aanwezige) interne bezwarenprocedure van de instelling.
f het geschil betrekking heeft op een door de werkgever uitgebracht definitief oordeel in het kader van een beoordelingsregeling én tenminste drie weken zijn verlopen ná het tijdstip waarop de werknemer kennis heeft genomen van dit definitief oordeel.
4 Indien tijdens de behandeling van het geschil door de Commissie van Geschillen een der partijen of beide partijen het geschil aanhangig maakt (maken) bij de rechter, ziet de Commissie van Geschillen af van verdere behandeling.
5 Indien ter zake van een dergelijk geschil een oordeel van de Commissie wordt ingeroepen, zijn beide partijen verplicht alle medewerking te verlenen aan de werkzaamheden van de Commissie, waarbij onverlet blijft hun bevoegdheid om een gerechtelijke procedure aan te spannen.
6 De regels, die zijn gesteld ten aanzien van het aanhangig maken van een geschil respectievelijk ten aanzien van de werkwijze, samenstelling en de benoeming van de leden van de hier bedoelde Commissie, zijn opgenomen in de bij deze CAO behorende bijlage F: Nadere Regeling van de Vaste Commissie van Advies inzake Arbeidsrechtelijke Geschillen.
Hoofdstuk XIII
Einde dienstverband
Beëindiging van het dienstverband
Artikel 73
1 Het dienstverband eindigt:
a met wederzijds goedvinden op het door werkgever en werknemer overeengekomen tijdstip;
b door het verstrijken van de termijn, waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan;
c door opzegging door werkgever of werknemer met inachtneming van het bepaalde ten aanzien van opzegging in het tweede en derde lid van dit artikel en onverminderd het bepaalde in artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen-1945;
d door toedoen van werkgever of werknemer, door opzegging met onmiddellijke ingang tijdens een bedongen proeftijd, als bedoeld in BW 7: 652 en BW 7: 676;
e door onverwijlde opzegging wegens dringende redenen voor werkgever of werknemer volgens de bepalingen van BW 7: 677, 678, 679;
f indien de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en wel met ingang van de eerste dag van de daaropvolgende maand;
g door vervroegde uittreding of gebruikmaking van de Flex-TOP-regeling uit het pensioenreglement van de Stichting Bedrijfspensioenfonds Bibliotheekpersoneel, indien de werknemer daarbij van zijn recht gebruik maakt het dienstverband volledig te beëindigen;
h door overlijden van de werknemer.
2 Opzegging geschiedt onder opgave van redenen en wordt schriftelijk medegedeeld.
3 De termijn van opzegging bedraagt voor de werkgever en de werknemer bij opzegging twee maanden, tenzij deze op grond van BW 7: 672 lid 2, dan wel op grond van de Overgangsbepalingen* van de Wet Flex en Zekerheid per 1 januari 1999, langer dient te zijn.
(*=Toelichting op verwijzing naar de Overgangsbepaling: Voor de werknemer die op het tijdstip van het in werking treden van de Wet Flex en Zekerheid per 1 januari 1999 45 jaar of ouder was en voor wie op dat tijdstip een langere termijn voor opzegging gold dan volgens deze wet, blijft de oude termijn gelden zo lang hij bij dezelfde werkgever in dienst blijft.)
4 Werkgever en werknemer kunnen nadere termijnen dan de in het derde lid genoemde overeenkomen, mits de termijn voor de werkgever niet korter is dan die voor de werknemer.
Procedure bij gedwongen ontslag
Artikel 74
1 Wanneer sprake is van een zodanige vermindering of beëindiging van de werkzaamheden dan wel reorganisatie van de instelling dat het waarschijnlijk is dat een of meer werknemers moeten worden ontslagen, dient de werkgever een ontwerpreorganisatieplan op te stellen als genoemd in artikel 47.
In dit ontwerpreorganisatieplan geeft de werkgever, naast hetgeen wordt genoemd in artikel 47 lid 1, bovendien aan:
- op welke wijze de uitgaven in de personele sfeer kunnen worden beperkt door middel van natuurlijk verloop en het toepassen van een vacaturestop;
- op welke wijze de uitgaven in de niet-personele sfeer c.q. de inkomsten kunnen worden beperkt, c.q. verhoogd;
- een globale indicatie van de arbeidsplaatsen - in kwaliteit en aantal - die verloren zullen gaan als gevolg van de reorganisatie of vermindering van werkzaamheden.
2 De werkgever informeert de ondernemingsraad of de vermindering van werkzaamheden of reorganisatie gepaard gaat met opheffing van functies welke inwisselbaar zijn met een of meer andere functies binnen de bibliotheek.
3 Ten aanzien van de inwisselbare functies, genoemd in lid 2 geldt het navolgende:
a Als inwisselbare functies worden aangemerkt functies binnen de bibliotheek welke als gemeenschappelijk kenmerk hebben, dat de verrichte werkzaamheden en handelingen worden verricht op grond van een in generale zin gelijke opdracht (taakstelling) en zijn gericht op globaal een zelfde resultaat.
b Functies worden aangemerkt als inwisselbaar indien zij worden gesalarieerd volgens dezelfde in bijlage A genoemde salarisschaal, dan wel volgens een naastliggende salarisschaal.
c Een functie wordt niet aangemerkt als inwisselbaar indien deze functie wordt uitgeoefend op een zodanige afstand van de woonplaats van de werknemer dat de reiskosten voor woon-werkverkeer naar de nieuwe vestiging van tewerkstelling het maximale maandelijks vergoedingsbedrag voor gebruik van openbaar vervoer in artikel 2 lid 2 Bijlage J: Regeling Tegemoetkoming Woon-werkverkeer zouden overschrijden.
Dit criterium is niet van toepassing in het geval dat geen aanmerkelijk verschil bestaat tussen de afstand van de woonplaats tot de oude vestiging van tewerkstelling en de afstand van de woonplaats tot de nieuwe vestiging van tewerkstelling.
d Functies worden niet aangemerkt als inwisselbaar indien tussen de omvang van de functies een verschil van tien of meer werk-
uren per week bestaat.
4 a Indien waarschijnlijk is, dat een of meer ontslagen niet kunnen worden voorkomen, wordt na de definitieve vaststelling van het reorganisatieplan door de werkgever een ontwerprangorde van ontslag van het voltallig personeel aan de ondernemingsraad overlegd.
b Indien gedwongen ontslag van werknemers van provinciale bibliotheekcentrales (p.b.c.'s) moet plaatsvinden als gevolg van besluiten van overheden, dan wordt de rangorde van ontslag beperkt tot het personeel te werk gesteld in de vestigingen die bekostigd worden door de bedoelde overheden.
5 De ontwerprangorde van ontslag wordt als volgt opgesteld:
a Zij, die 35 of meer voor pensioen geldige dienstjaren hebben, waarbij ouderen in leeftijd vóór jongeren voor ontslag in aanmerking komen.
b Zij, die laatstelijk het geringste aantal jaren zonder onderbreking op arbeidsovereenkomst werkzaam zijn geweest bij de werkgever met dien verstande dat - bij gelijke diensttijd - jongeren in leeftijd voor ouderen gaan.
c Niet als onderbreking van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in lid 5b van dit artikel wordt aangemerkt:
- een onderbreking van twee maanden of minder;
- een tijdelijke onderbreking van het dienstverband in verband met studie, welke tot de beroepsuitoefening in het bibliotheekwezen bijdraagt, tot maximaal een jaar. Deze periode van een jaar kan door het COAOB op daartoe strekkend verzoek worden verlengd.
6 Na vaststelling van het reorganisatieplan als bedoeld in artikel 47 lid 6 stelt de werkgever vast met welke niet-opgeheven functies de volgens het reorganisatieplan op te heffen functies inwisselbaar zijn.
Vervolgens stelt hij een ontwerplijst van voor ontslag in aanmerking komende werknemers vast, die een op te heffen dan wel daarmede inwisselbare functie vervullen, waarbij de onderlinge rangorde wordt bepaald op basis van de eerder conform het vijfde lid voorgestelde ontwerp-ontslagrangorde.
7 De in het zesde lid bedoelde ontwerplijst van voor ontslag in aanmerking komende werknemers wordt voor advies aan de ondernemingsraad voorgelegd.
8 Het schriftelijke advies door de ondernemingsraad op de ontwerplijst van voor ontslag in aanmerking komende werknemers wordt uitgebracht binnen vijftien werkdagen na het tijdstip waarop het advies is aangevraagd.
9 Als de ondernemingsraad schriftelijk advies heeft uitgebracht over de ontwerplijst van voor ontslag in aanmerking komende werknemers wordt deze door de werkgever definitief vastgesteld.
10 De ontslagaanzeggingen, die het gevolg zijn van de effectuering van het reorganisatieplan c.q. de definitieve lijst van ontslagen, worden aan de betrokken werknemers beargumenteerd medegedeeld.
11 De arbeidsovereenkomst kan niet op verzoek van de werkgever, door tussenkomst van de rechter worden ontbonden, wegens de in lid 1 eerste zin vermelde omstandigheden, tenzij sprake is van omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in BW 7: 678
lid 1, zouden hebben opgeleverd, indien de dienstbetrekking deswege onverwijld beëindigd ware, als ook veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
12 Waar in dit artikel sprake is van de ondernemingsraad, gelden bij het ontbreken daarvan dezelfde bepalingen voor een werknemersvertegenwoordiging.
Overlijden van de werknemer
Artikel 75
1 Ingeval van overlijden van de werknemer wordt het salaris uitbetaald tot en met de dag van overlijden.
2 Zo spoedig mogelijk na het overlijden wordt aan de nagelaten betrekkingen van de werknemer bedoeld in BW 7: 674 lid 3, een bedrag uitgekeerd, gelijk aan het salaris over drie maanden, vermeerderd met een bedrag aan vakantietoeslag voor hetzelfde tijdvak.
3 Maatstaf van berekening is het salaris van de werknemer in de maand van zijn overlijden en het voor hem geldende bedrag aan vakantietoeslag, eveneens in de maand van zijn overlijden. Het op deze wijze berekende bedrag wordt in voorkomend geval vermeerderd met de bedragen van de over drie maanden voorafgaand aan het overlijden van de werknemer toegekende toelage onregelmatige dienst, respectievelijk de Kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet en in voorkomende gevallen verminderd met het bedrag van een uitkering krachtens de sociale verzekeringswetgeving.
Wachtgeld
Artikel 76
De werknemer die in een dienstverband voor onbepaalde tijd werkzaam is en wiens dienstverband door de werkgever is opgezegd wegens:
a opheffing van zijn functie wegens reorganisatie of vermindering van de werkzaamheden, zulks als gevolg van een door de subsidiërende overheid geïnitieerde reorganisatie en/of een verlaging of beëindiging van de door de werkgever van overheidswege verkregen financiering;
b verplaatsing van de instelling, waarin de werknemer werkzaam is, indien de werknemer door de werkgever erkende bezwaren heeft tegen het voortzetten van zijn werkzaamheden op de nieuwe plaats
heeft recht op een door de werkgever uit te keren wachtgeld overeenkomstig de bepalingen van de bij deze CAO behorende bijlage D: Regeling Wachtgeld.
Eenmalige vergoeding
Artikel 76 A
De werknemer die in dienstverband voor onbepaalde tijd werkzaam is én wiens dienstverband door de werkgever is opgezegd wegens opheffing van zijn functie anders dan als gevolg van een door de subsidiërende overheid geïnitieerde reorganisatie en/of een verlaging of beëindiging van de door de werkgever van overheidswege verkregen financiering, heeft recht op een door de werkgever uit te keren eenmalige vergoeding overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D2 Regeling eenmalige vergoeding.
VUT en Flex-TOP
Artikel 77
1 De werknemer heeft het recht de arbeidsovereenkomst geheel of gedeeltelijk te beëindigen indien hij op de beëindigingdatum gebruik kan maken van de 'regeling inzake vrijwillig vervroegd uittreden en uitkering krachtens de overgangsmaatregelen CAO-VUT medewerkers openbare bibliotheken', dan wel het Flex-TOP uit het pensioenreglement van de Stichting Bedrijfspensioenfonds Bibliotheekpersoneel, op de hierna in dit artikel genoemde voorwaarden.
2 a De werknemer die een directie-, adjunct-directie- of managementfunctie vervult op het hoogste niveau in de arbeidsorganisatie, kan in afwijking van het gestelde in lid 1 slechts in overeenstemming met zijn werkgever kiezen voor vermindering van de geldende werktijd in zijn arbeidsovereenkomst bij gebruikmaking van vervroegd tijdelijk ouderdomspensioen.
2 b Eveneens in afwijking van lid 1 geldt dat de ná de vermindering resterende werktijd zonder instemming van de werkgever niet lager mag zijn dan één vierde deel van de oorspronkelijke omvang van het dienstverband, zulks met een minimum van zes uren per week.
3 De werknemer kan op het eenmaal in het kader van de voorgaande beide leden genomen besluit het dienstverband volledig of gedeeltelijk te beëindigen nadien niet meer terugkomen.
4 Het verzoek tot vervroegde gehele of gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst dient door de werknemer ten minste twee maanden voor de gewenste datum van zijn (deel)ontslag bij de werkgever ingediend te worden.
Artikel 78 (vacant)
Hoofdstuk XIV
Slotbepalingen
Ontheffing
Artikel 79
De contractpartners kunnen in bijzondere gevallen ten aanzien van te sluiten arbeidsovereenkomsten gezamenlijk ontheffing verlenen van het in deze CAO bepaalde, zo nodig onder te stellen voorwaarden en onverminderd het bepaalde in het Burgerlijk Wetboek.
Overgangsbepalingen
Artikel 80
1 Tussen werkgever en werknemer overeengekomen arbeidsvoorwaarden welke op 1 januari 1979, de datum van inwerkingtreding van deze CAO, in voor de werknemer gunstige zin van deze CAO afweken, blijven gehandhaafd.
2 Indien het aantal bestuursleden (van de instelling) namens de werknemers op 31 december 1998 op grond van gestelde in artikel 70 meer bedroeg dan één, dan kan dit aantal -indien zulks zou worden gewenst en de statuten van de instelling dit toelaten- uitsluitend worden verminderd tot één, door het aftreden, het zich niet meer herkiesbaar stellen, dan wel het niet meer herkiesbaar zijn van één of meer van de desbetreffende bestuursleden.
Eindejaarsuitkering / instellingsgebonden gratificatieregeling
Artikel 81* (* per 1 januari 2000)
1 Jaarlijks in de maand december heeft de werknemer recht op een structurele eindejaarsuitkering van 1%, berekend over het door de werknemer in dat kalenderjaar feitelijk verdiende brutosalaris, vermeerderd met de over dat jaar opgebouwde vakantietoeslag als bedoeld in artikel 27 van de CAO; zulks met een minimum van € 131,60 voor de werknemer die gedurende het gehele kalenderjaar in een volledig dienstverband werkzaam is geweest.
De werknemer die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar in dienst is geweest en/of geen volledig dienstverband heeft, heeft naar evenredigheid aanspraak op het minimumbedrag van € 131,60.
De eindejaarsuitkering telt mee voor de pensioenopbouw; echter,
2a De werkgever kan met instemming van de ondernemingsraad, of de werknemersvertegenwoordiging ex artikel 69 van de CAO, overeenkomen dat (een deel van) de hiervoor genoemde 0,5% in dat kalenderjaar wordt bestemd t.b.v. een instellingsgebonden gratificatieregeling ex artikel 65 A van de CAO.
2b Indien de werkgever op 1 december van het betreffende kalenderjaar geen overeenstemming heeft bereikt als hiervoor bedoeld onder 2a, wordt de eindejaarsuitkering volledig uitgekeerd.
Duur van de CAO
Artikel 82
Deze CAO is in werking getreden met ingang van 1 januari 1979 en is aangegaan voor een aanvankelijke duur van twee jaar, met een opzegtermijn van twee maanden. De werkingsduur is door partijen met ingang van 1 januari 1981 diverse malen aansluitend verlengd, laatstelijk van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004, onder handhaving van de hiervoor bedoelde opzegtermijn.
Jaarlijks overleg
Artikel 83
1 Partijen zullen jaarlijks overleggen over de mogelijkheden tot aanpassing van de salarisbedragen.