1. Toelating tot de ledenvergadering; groepen aanwezigen; spreekrecht; verlening van het woord.
1. De gemachtigden van de leden verkrijgen tegen tekening van een presentieformulier een stemformulier en worden toegelaten tot de vergadering.
2. De bestuursleden, de op de voet van artikel 11 van de statuten aan het bestuur toegevoegde deskundigen en de eventuele genodigden hebben ook toegang tot de ledenvergadering.
3. Aanwezigen kunnen onder opgave van hun naam en hoedanigheid het woord voeren, na dit van de voorzitter gevraagd en verkregen te hebben.
4. De voorzitter verleent het woord in de volgorde, door hem bepaald, en stelt in door hem te bepalen gevallen maximale spreektijd vast. Bij het verlenen van het woord en het toestaan van spreektijd is leidend beginsel, dat de leden voldoende gelegenheid dienen te hebben, het hunne op te merken.
2. Voorstel van orde; persoonlijk feit
1. Van de conform het voorgaande artikel vastgestelde volgorde van spreekbeurten kan worden afgeweken, wanneer een aanwezige het woord vraagt over de orde of over een persoonlijk feit.
2. De voorzitter verleent het woord voor een persoonlijk feit niet dan na een voorlopige aanduiding van dat feit. De beslissing of iets een persoonlijk feit vormt berust bij de voorzitter.
3. Een voorstel van orde kan worden gedaan hetzij door de voorzitter, hetzij door een andere aanwezige.
3. Motie
1. Een motie is een uitnodiging aan de vergadering, een bepaalde uitspraak te doen, anders dan een besluit over een voorliggend, geagendeerd voorstel of een daarop ingediend amendement, in welk geval het gestelde in artikel 4 over amendementen van toepassing is.
2. Een aanwezige die het woord voert kan daarbij moties over het in behandeling zijnde onderwerp indienen.
Een motie moet op schrift gesteld en door de indiener ondertekend zijn en mag maximaal uit honderd woorden bestaan.
De behandeling van een motie vindt plaats tegelijk met de beraadslaging over het in behandeling zijnde onderwerp, tenzij de voorzitter besluit deze later te behandelen.
4. Amendementen op voorstellen
1. Een amendement op een voorstel is een wijziging of verbetering van dat voorstel.
2. Een amendement dient, uiterlijk 10 dagen na de toezending van het betreffende voorstel schriftelijk bij het bestuur te worden ingediend, met dien verstande dat deze termijn niet geldt, indien het juist genoemde voorstel korter dan drie weken voor de betreffende ledenvergadering is verzonden aan de leden.
3. Een amendement, dat met inachtneming van de in punt 2 genoemde termijn van 10 dagen is ingediend, op een conform het gestelde in punt 2 drie weken voor de ledenvergadering verzonden voorstel, wordt met het oog op de behandeling in de ledenvergadering zo spoedig mogelijk onder de leden verspreid.
4. De voorzitter stelt een amendement gelijktijdig met het voorstel waarop het betrekking heeft, aan de orde.
5. Elk amendement kan door de indiener(s) worden toegelicht.
6. Een amendement is ontoelaatbaar, indien het een strekking heeft tegengesteld aan die van het voorstel, of indien er tussen de materie van het amendement en die van het voorstel geen rechtstreeks verband bestaat. Een amendement wordt toelaatbaar geacht zolang de voorzitter het niet ontoelaatbaar heeft geoordeeld.
Een voorstel tot een zodanig besluit kan worden gedaan door de voorzitter, hetzij door een andere aanwezige.
7. Dezelfde regels, die voor amendementen gelden, zijn ook van toepassing op voorstellen tot wijziging van reeds door een ander voorgestelde amendementen (subamendementen).
8. Bij het nemen van besluiten over een voorstel en daarop voorgestelde amendementen wordt de volgende volgorde in acht genomen:
1. de subamendementen
2. de amendementen
3. het al dan niet conform een of meer aangenomen amendementen gewijzigde voorstel zelf.
9. Bij het besluiten over de in het vorige lid bedoelde subamendementen en amendementen wordt bij voorrang besloten over het (sub)amendement dat de verste strekking heeft. In geval van geschil over de vraag welk (sub)amendement de verste strekking heeft, beslist de vergadering hierover. Het aannemen van een (sub)amendement betekent, dat minder verstrekkende (sub)amendementen niet aan de orde komen.
De voorzitter kan ook besluiten, dat over onderdelen van een (sub)amendement afzonderlijk wordt besloten.
10 De vergadering kan besluiten, dat amendementen door het aanbrengen van andere wijzigingen als vervallen moeten worden beschouwd.
5. In de rede vallen; interrupties; ontneming van het woord
1. Een aanwezige, aan wie het woord is verleend, mag niet in de rede worden gevallen, behalve door de voorzitter, wanneer die hem herinnert aan het opvolgen van het reglement of hem verzoekt de nodige beknoptheid in spreektijd in acht te nemen.
De voorzitter kan interrupties toelaten.
2. Wanneer de in het eerste lid bedoelde spreker afwijkt van het in beraadslaging zijnde onderwerp kan de voorzitter hem - na hem eenmaal gemaand te hebben tot het onderwerp terug te keren - het woord ontnemen, indien hij aan de maning geen gehoor geeft.
3. Wanneer de in het eerste lid bedoelde spreker niet desverzocht de nodige beknoptheid in spreektijd in acht neemt, kan de voorzitter - na hem eenmaal gemaand te hebben - de spreektijd beperken of het woord ontnemen.
4. In de vergadering, waarin het ingrijpen van de voorzitter, bedoeld in de leden 2 en 3, plaatsvindt, mag de betrokkene niet meer deelnemen aan de beraadslaging over het onderwerp in behandeling.
(uittreksel uit WOB 29 van 27 april 1993:)
Leden van een vereniging hebben een wettelijk recht van toegang tot de ledenvergaderingen.
De wettelijke vertegenwoordiger(s), zoals vermeld in de statuten van ieder WOB-lid, heeft/hebben het statutaire recht de rechtspersoon te vertegenwoordigen met name in de WOB-ledenvergaderingen. Het bestuur van een WOB-lid èn deze wettelijke vertegenwoordiger(s) zijn degenen die de juridische bevoegdheid hebben ook anderen, meest de directeur, te machtigen namens dat lid op te treden. De machtiging kan met name in dit geval voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst, c.q. een bepaling daarvan.
Altijd is een machtiging nodig, indien een lid twee statutaire vertegenwoordigers heeft (bijv. voorzitter en secretaris) wat veel voorkomt. In de ledenvergadering dienen immers de rechten per lid te worden uitgeoefend door één daartoe gemachtigd persoon (artikel 5 lid 2 statuten).
Het namens het lid optreden in de ledenvergadering geschiedt dus meest op basis van een machtiging.
De vorm van deze machtiging noch de controle daarvan is gebonden aan wettelijke vereisten.
De huidige gang van zaken, waarbij een gemachtigde zich namens een bepaald lid meldt bij het secretariaat, een presentieformulier tekent, en daarop een stemformulier ontvangt, functioneert in de praktijk goed.
Een en ander is gebaseerd op wederzijdse bekendheid van personen en praktische hanteerbaarheid.
Volgens de literatuur is de voorzitter gerechtigd te verlangen dat een gemachtigde zich legitimeert.
De WOB-statuten stellen in artikel 5 lid 2 als vereiste, 'Één persoon mag deze rechten namens ten hoogste drie leden uitoefenen'.
Maximaal drie leden mogen dus volgens de statuten tezamen één persoon machtigen namens hen in de ledenvergadering de rechten als lid uit te oefenen.
Het secretariaat zal daarbij van die leden die gewoonlijk niet door de betreffende ene persoon worden vertegenwoordigd, een eenvoudige schriftelijk verklaring van machtiging vragen, ondertekend door de gebruikelijk aan de WOB bekende gemachtigde van dat lid - of uiteraard ondertekend door de wettelijke vertegenwoordigers van dat lid.